ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ5671
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- H.L. Wattel
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffing deviezenprovisie door Centrale Bank van Aruba aan Valero vennootschappen
De Centrale Bank van Aruba legde aan Valero Refining Company-Aruba N.V. en Valero Marketing & Supply-Aruba N.V. deviezenprovisie op voor betalingen aan het buitenland over de jaren 2003 tot en met 2005. De vennootschappen maakten bezwaar en gingen in beroep tegen deze heffingen.
Zij stelden onder meer dat de heffing in strijd was met het IMF-Verdrag, het Vriendschapsverdrag tussen Nederland en de VS, het LGO-besluit, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Arubaanse staatsregeling. Het hof oordeelde dat de genoemde verdragsbepalingen geen directe werking hebben of dat de heffing niet discriminerend is en binnen de wettelijke bevoegdheden valt.
Het hof bevestigde dat de heffing een geoorloofde regulering is van het gebruik van eigendom in het algemeen belang en ter verzekering van belastinginning. Ook werd geoordeeld dat de vennootschappen niet ongelijk werden behandeld ten opzichte van andere ingezetenen. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 juni 2009 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vennootschappen tegen de heffing van deviezenprovisie is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.