ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ5685
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- H.L. Wattel
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek vergunning tijdelijk verblijf en werkvergunning
De werkgeefster heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om voor een vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf te verkrijgen. De minister van Vreemdelingenzaken had dit verzoek en het daaropvolgende bezwaar ongegrond verklaard. Het Gerecht in eerste aanleg had het beroep van de werkgeefster eveneens ongegrond verklaard.
De werkgeefster stelde dat zij als werkgever een rechtstreeks belang heeft bij de vergunning tot tijdelijk verblijf, die tevens als werkvergunning moet worden beschouwd op grond van artikel 7, zesde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) en relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij betoogde dat het recht op toegang tot de rechter werd geschonden door haar beroep af te wijzen.
Het hof oordeelde dat de procedure voor een vergunning tot tijdelijk verblijf uitsluitend het belang van de vreemdeling betreft en niet dat van de werkgever. De voorwaarden verbonden aan de vergunning, waaronder de werkgever en functie, leiden niet tot een rechtstreeks belang van de werkgeefster in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Daarom faalt haar betoog en wordt de uitspraak van het Gerecht bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf en erkent de werkgeefster niet als belanghebbende.