HLAR 095/08
Datum uitspraak: 18 juni 2009
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de werkgeefster], wonend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 29 oktober 2008 in zaak nr. 1834 van 2008 in het geding tussen:
de minister van Vreemdelingenzaken.
Bij beschikking van 9 augustus 2007 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellante (hierna: de werkgeefster) om [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.
Bij beschikking van 13 mei 2008 heeft de minister het daartegen door de werkgeefster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door de werkgeefster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de werkgeefster bij brief, bij het Hof ingekomen op 10 december 2008, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift in gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2009, waar de werkgeefster, vertegenwoordigd door mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mrs. A.A. Henriquez, G.M.N. Maduro, M.D. van Wilgen en J.M. Harewood, allen werkzaam bij het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero, zijn verschenen.
2.1. Het Gerecht heeft onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 13 oktober 2008 in zaak nr. 269 HLAR 41/08 (www.rechtspraak.nl), samengevat weergegeven, overwogen dat de werkgeefster tegen die beschikking geen bezwaar kan maken en beroep kan instellen, aangezien bij de beschikking om een vergunning tot verblijf of tijdelijk verblijf te verlenen of te weigeren slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks is betrokken.
2.2. De werkgeefster betoogt dat het Gerecht aldus heeft miskend dat een vergunning tot tijdelijk verblijf, gelet op artikel 7, zesde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) en gezien de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Jurisic en Collegium Mehrerau tegen Oostenrijk van 27 juli 2006 (zaak nr. 62539/00) en Coorplan-Jenni GmbH en Hascic tegen Oostenrijk (zaak nr. 10523/02; JV 2006/415), tevens is aan te merken als een werkvergunning, waarbij haar belang, aangezien dit haar voldoende onderscheidt van anderen, wel rechtstreeks is betrokken. Haar wordt, door dat niet te aanvaarden, in strijd met artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) het recht op toegang tot de rechter onthouden, aldus de werkgeefster.
2.2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.
Ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Ltu, voor zover thans van belang, worden aan een vergunning tot tijdelijk verblijf voorwaarden verbonden ten aanzien van het in dienst zijn van een bepaalde werkgever en in een bepaalde functie.
2.2.2. De uitspraak van 29 oktober 2008 betreft het beroep van de werkgeefster tegen de beschikking van 13 mei 2008, waarbij op het door haar tegen de weigering de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen gemaakte bezwaar is beslist. Deze procedure strekt niet tot het vaststellen van enig burgerlijk recht van de werkgeefster. Dat de vreemdeling, indien aan deze een vergunning tot tijdelijk verblijf zou zijn verleend, als gesteld, behalve dat deze hier te lande mag verblijven, ook arbeid in loondienst voor de werkgeefster zou mogen verrichten, is daarvoor niet voldoende. Dat ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Ltu aan een vergunning tot tijdelijk verblijf voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden, onder meer ten aanzien van degene voor wie de desbetreffende vreemdeling arbeid in loondienst mag verrichten, betekent niet dat diegene als belanghebbende daarbij in evenbedoelde zin valt aan te merken. Het betoog faalt.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
w.g. Wattel
Voorzitter
w.g. Martinez
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,