ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN9232
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- H.L. Wattel
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning: niet-ontvankelijkheid werkgever en toepassing EVN art. 6
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf centraal. De werkgever en de vreemdeling gingen in beroep tegen de ministeriële beschikking van 3 juni 2008, waarbij het bezwaar tegen de afwijzing werd ongegrond verklaard. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde beide beroepen ongegrond.
Het Hof oordeelt dat de werkgever niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat deze geen belanghebbende was bij de beschikking, zoals bepaald in artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Het beroep van de vreemdeling wordt inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Het Hof stelt vast dat artikel 6 EVN Pro geen direct toepasbare norm bevat en dat eerdere jurisprudentie dit bevestigt.
Verder wordt vastgesteld dat het beleid uit de Nota Vreemdelingenbeleid van 2002 niet van toepassing is op verzoeken ingediend na 1 juli 2006, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van de uitspraak. De minister heeft terecht het bezwaar ongegrond verklaard omdat de vreemdeling reeds drie jaar aaneengesloten in Aruba verbleef op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf.
Het Hof vernietigt het vonnis voor zover het het beroep van de werkgever ongegrond verklaarde en verklaart het hoger beroep van de werkgever gegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt gegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid, het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.