ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL0325

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
12 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HAR 37/09
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van artikel 40 CAO over indexering en overleg tussen werkgever en vakbond

De werkgever Curaçao Port Services N.V. en de vakbond CBH/OVP verschillen van mening over de uitleg van artikel 40 van Pro de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor havenpersoneel, die een indexeringsregeling bevat. De bond stelt dat bij een inflatiecijfer hoger dan 5% overleg moet leiden tot loonaanpassing boven die 5%, terwijl de werkgever dit betwist.

Na een procedure bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin beide partijen hun standpunten schriftelijk en mondeling hebben toegelicht, heeft het Hof de tekst van artikel 40 en Pro de gehele CAO bestudeerd. Het Hof concludeert dat 'overleg' niet gelijkstaat aan instemming en dat het overleg in dit geval heeft plaatsgevonden.

Het Hof acht het aannemelijk dat als partijen volledige doorwerking van inflatie boven 5% hadden gewild, dit expliciet in artikel 40 was Pro opgenomen. De afstand van de bond van indexeringsrechten tot 5% moet worden gezien in samenhang met de vooraf overeengekomen loonsverhogingen die niet afhankelijk zijn van inflatie. Het Hof wijst een kostenveroordeling af en verklaart voor recht dat overleg niet verplicht tot doorwerking van inflatie boven 5%.

Uitkomst: Het Hof oordeelt dat overleg in artikel 40 CAO niet verplicht tot doorwerking van inflatie boven 5% in het loon.

Uitspraak

Registratienr. HAR 37/09
Uitspraak: 12 januari 2010
BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
in de zaak van:
de naamloze vennootschap CURAÇAO PORT SERVICES N.V.,
zetelend op Curaçao,
verzoekster,
hierna te noemen: de werkgever,
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,
tegen
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging CHRISTELIJKE VAKBOND VAN HAVEN- EN OVERIG VERVOERSPERSONEEL, h.o.d.n. CBH/OVP,
zetelend op Curaçao,
verweerster,
hierna te noemen: de Bond,
gemachtigde: mr. Roque Koeijers.
Het verloop van de procedure
1.1. De werkgever heeft bij verzoekschrift, met producties, ingekomen op 18 juni 2009 bij wege van prorogatie een geschil dat zij heeft met de Bond omtrent de uitleg van artikel 40 van Pro de tussen partijen tot stand gekomen collectieve arbeidsovereenkomst voor het havenpersoneel (hierna: de cao) aan het Hof voorgelegd.
1.2. De Bond heeft een verweerschrift ingediend.
1.3. Op 11 augustus 2009 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de gemachtigden van partijen. Afgesproken is dat schriftelijk zal worden gepleit.
1.4. Het schriftelijke pleidooi heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Tevoren waren door de werkgever producties ingezonden met afschrift aan de wederpartij. Bij de pleitnota van de gemachtigde van de Bond waren producties gevoegd die niet tevoren aan de wederpartij waren gezonden.
1.5. Bij brief van 28 augustus 2009 heeft de werkgever gereageerd op de producties bij de pleitnota van de gemachtigde van de Bond.
1.6. Partijen hebben om een beschikking gevraagd waarvan de uitspraak, mede vanwege de samenhang met een andere prorogatiezaak tussen partijen, nader is bepaald op heden.
2. Beoordeling
2.1. Partijen verschillen van mening omtrent de uitleg van artikel 40 van Pro de op 18 juli 2007 overeengekomen en getekende voor een periode van drie jaren geldende collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao). Dit artikel 40 luidt Pro voor zover hier van belang (productie 1 bij inleidend verzoekschrift):
Artikel 40
SLOTVERKLARING
1. De werkgever verklaart zich hierbij bereid om in die situaties waarin door het Centraal Bureau van de Statistiek vastgestelde inflatie correctie-cijfers op kalenderbasis hoger uitkomt dan 5%., overleg met het bestuur van de bond te plegen, met dien verstande, dat als uitgangspunt het officiële indexcijfer dat betrekking heeft tot de situatie per 1 januari 2007 en daarna per 1 januari van elke kalenderjaar, zal worden gehanteerd. De bond verklaart hiermee afstand te doen van alle eventuele indexeringsrechten tot een (hierboven vermeld) percentage van 5 (vijf) procent. Deze indexeringsregeling kan alleen worden toegepast indien de overheid hiervoor geen andere wettelijke voorschriften heeft vast gesteld.
2. (…)
3. Partijen verklaren te zijn overeengekomen om per ondertekeningsdatum bestaande basisuurlonen per hierna vermelde data met de daarbij vermelde bedragen te verhogen.
a. Per 1 augustus 2007     Ang. 92,- bruto
b. Per 1 augustus 2008     Ang. 92,- bruto
c. Per 1 augustus 2009     Ang. 92,- bruto
d. Per ondertekeningsdatum eenmalig Ang. 500,- bruto lumpsum uit te betalen in de payroll van desbetreffende maand.
4. De hierboven cumulatief door te berekenen bedragen, dienen zowel als reële loon/salaris verbetering als ter compensatie voor gederfde indexeringsrechten zoals de hierboven omschreven in lid 1 van dit artikel.
5. In alle gevallen waarin deze overeenkomst niet voorziet, zal de werkgever alvorens een beslissing te nemen, terzake met de Bond overleg plegen.
(…).
2.2. In het jaar 2008 bedroeg het door het CBS opgegeven indexcijfer 6,9%, derhalve 1,9% meer dan de in artikel 40 voorziene Pro 5%. De Bond stelt zich op het standpunt dat, nu de Bond afstand heeft gedaan van alle eventuele indexeringsrechten tot 5%, het ‘overleg’, bedoeld in artikel 40 lid Pro 1, eerste zin, tot gevolg moet hebben dat de werkgever de 1,9% laat doorwerken in het loon. De werkgever is het hiermee niet eens.
2.3. Nu een voor derden kenbare toelichting op de cao ontbreekt, zijn bij de uitleg van artikel 40 van Pro de cao de bewoordingen waarin deze bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de onderhavige bepaling is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. HR 11 april 2003, NJ 2003, 430).
2.4. In de heden eveneens uitgesproken beschikking tussen beide partijen betreffende de uitleg van artikel 23 lid 3 van Pro de cao (CBH/OVP v. CPS, H. 220/09) heeft het Hof geoordeeld dat de term overleg betekent dat partijen met elkaar over de kwestie van gedachten hebben gewisseld, dat eventueel vooraf de nodige informatie is verschaft en dat de naar voren gebrachte standpunten in overweging zijn genomen. Overleg betekent niet dat instemming moet zijn verkregen. Dezelfde uitleg moet worden gegeven aan de term overleg in artikel 40 lid 1 van Pro de cao.
2.5. In casu moet op basis van de stukken ervan worden uitgegaan dat aldus overleg heeft plaatsgevonden. De werkgever heeft zich bereid getoond ter compensatie een lumpsum uit te keren, die niet structureel doorwerkt in het loon (productie 3 bij inleidend verzoekschrift; productie 15 bij pleitnota zijdens werkgever), waarmee echter de leden van de Bond niet akkoord zijn gegaan.
2.6. Aannemelijk is dat, als partijen hadden bedoeld dat boven de 5% volledige doorwerking in het loon moest plaatsvinden, zulks met zoveel woorden in artikel 40 was Pro neergelegd (vgl. de eerste productie bij de pleitnota zijdens de werknemers).
2.7. Dat in artikel 40 lid Pro 1, tweede zin, de bond verklaart afstand te doen van alle eventuele indexeringsrechten tot 5% doet aan het voorgaande niet af. Deze afstand moet in verband gezien worden met de loonsverhogingen op voorhand, bedoeld in lid 3 (en lid 4), die niet afhankelijk zijn van de hoogte van de inflatie en dus ook worden gegeven indien het indexcijfer lager dan 5% is.
2.8. Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
3. Beslissing
Het Hof verklaart voor recht dat het ingevolge artikel 40 van Pro de cao voorgeschreven overleg niet tot gevolg moet hebben dat de werkgever hetgeen het indexcijfer van 5% te boven gaat laat doorwerken in het loon.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 op Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.