ECLI:NL:OGHNAA:2010:BO4542
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opschorting uitvoerbaarheid vonnis zonder nieuw feitenbewijs
In deze zaak vorderden appellanten, bestaande uit een naamloze vennootschap en een notaris, dat het Hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van een eerder vonnis zou opschorten of daaraan de voorwaarde zou verbinden dat zekerheid wordt gesteld. Deze vordering werd incidenteel ingediend in hoger beroep tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen.
Het Hof overwoog dat bij de beoordeling van een dergelijke incidentele vordering de belangen van partijen moeten worden afgewogen, waarbij het belang van degene die de veroordeling verkreeg zwaarder kan wegen dan dat van de veroordeelde bij het behoud van de bestaande toestand tot het rechtsmiddel is beslist. Daarbij moet het verzoek worden onderbouwd met feiten en omstandigheden die bij de eerdere rechter niet in aanmerking konden worden genomen omdat zij zich pas na diens uitspraak hebben voorgedaan, een zogenaamd novum.
In deze zaak was geen novum gesteld, mede omdat in het kort geding in eerste aanleg reeds een belangenafweging en spoedeisendheidstoets hadden plaatsgevonden. Ook was er geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid. Daarom wees het Hof de incidentele vorderingen af en veroordeelde het appellanten in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: Het Hof wijst het verzoek tot opschorting van de uitvoerbaarheid bij voorraad af wegens ontbreken van een novum.