ECLI:NL:OGHNAA:2010:BO4975
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- J. de Boer
- G.C.C. Lewin
- E.M. van der Bunt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid werknemer en toezegging over restantvordering en bewoning
In deze civiele zaak staat centraal of een werknemer van Caribbean Mercantile Bank N.V. bevoegd was om aan appellant toe te zeggen dat de restantvordering zou worden laten rusten en dat appellant in zijn woning mocht blijven. Het hof stelt vast dat de werknemer slechts beperkte bevoegdheid had en de beslissing aan de directie moest voorleggen.
Appellant stelt dat de werknemer namens de directie akkoord had gegeven, en dat hij daarop mocht vertrouwen. Het hof overweegt dat indien de werknemer ten onrechte deze mededeling heeft gedaan, de discrepantie tussen mededeling en wil van de directie aan de bank moet worden toegerekend. De bank betwist dat de werknemer deze mededeling heeft gedaan, waarop appellant bewijs mag leveren.
Het hof gelast een comparitie van partijen om nadere inlichtingen te verkrijgen en een regeling te beproeven. Tevens wordt appellant in de gelegenheid gesteld getuigen te laten horen ter bewijs van zijn stelling. De comparitie en eventuele getuigenverhoor zijn gepland op 15 juni 2010. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor comparitie en bewijslevering over de bevoegdheid en mededelingen van de werknemer van de bank.