ECLI:NL:ORBAACM:2016:2

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 augustus 2016
Publicatiedatum
4 januari 2018
Zaaknummer
RvBAz 2013/63651
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 120 Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000Art. 35 RarArt. 41 RarArt. 127 Rar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar fictieve weigering bevordering politieambtenaren

Appellanten, politieambtenaren, verzochten met terugwerkende kracht bevordering naar schaal 14 per 1 juni 2007. Geïntimeerde nam niet binnen redelijke termijn een beslissing, waardoor een fictieve weigering ontstond. Het Gerecht verklaarde het bezwaar tegen deze fictieve weigering niet-ontvankelijk, omdat eerst administratief beroep had moeten worden ingesteld.

De Raad van Beroep oordeelt dat artikel 120, eerste lid, van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 geen administratief beroep tegen een fictieve weigering toestaat. Hierdoor was het bezwaar terecht ingediend en had het Gerecht het niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Om procedurele effectiviteit beoordeelt de Raad het bezwaar zelf en vernietigt de fictieve weigering. Geïntimeerde wordt opgedragen binnen twee maanden alsnog een inhoudelijke beschikking te nemen. Tevens wordt het land Curaçao veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellanten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkheidsverklaring vernietigd en geïntimeerde opgedragen binnen twee maanden alsnog te beschikken.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951(Rar)
Uitspraakdatum: 2 augustus 2016
Zaaknummer: RvBAz 2013/63651

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
Zittingsplaats Curaçao
Uitspraak op het hoger beroep van

[…],

allen wonende in Curaçao,
appellanten,
gemachtigde: mr. M.H. Römer, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 29 november 2013, in zaaknr. GAZ 2013/63651, in het geding tussen:
appellanten
en

de Minister van Justitie,

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.M. Virginia, advocaat.

Procesverloop

Bij brief van 19 november 2012 hebben appellanten geïntimeerde verzocht hun rechtspositie als politieambtenaar met terugwerkende kracht tot 1 juni 2007 te corrigeren door hen per die datum te bevorderen naar schaal 14 (het verzoek).
Bij uitspraak van 29 november 2013 heeft het Gerecht het door appellanten tegen de weigering van geïntimeerde binnen redelijke termijn op hun verzoek te beslissen (de fictieve weigering) gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de aangevallen uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
Appellanten hebben nog nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2016. Daar werden appellanten, van wie […] en […] in persoon zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Geïntimeerde werd daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Rar kan een bezwaarschrift worden ingediend tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen). Op grond van het vijfde lid, kan, indien tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen administratief beroep openstaat, het in het eerste lid bedoelde bezwaarschrift alleen worden gericht tegen de in beroep genomen beslissingen.
Op grond van artikel 41, tweede lid, wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd, of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. Dan loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
Op grond van artikel 120, eerste lid, van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (het Besluit) kunnen ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak binnen zes weken nadat zij van de beslissing inzake de vaststelling van een bezoldiging in kennis zijn gesteld of nadat zij geacht kunnen worden op andere wijze daarmee bekend te zijn geworden, hun bezwaren daartegen aan het bevoegd gezag kenbaar te maken door de indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift.
2. De Raad volgt het Gerecht niet in zijn oordeel dat het door appellanten tegen de fictieve weigering ingediende bezwaar niet‑ontvankelijk was, omdat zij daartegen eerst administratief beroep bij geïntimeerde hadden moeten instellen.
Artikel 120, eerste lid, van het Besluit voorziet in de mogelijkheid administratief beroep in te stellen tegen een inhoudelijke beschikking van het bevoegd gezag omtrent de bezoldiging. Die bepaling opent echter niet de mogelijkheid ook tegen de weigering om te beschikken op een verzoek daarover administratief beroep in te stellen. Daarmee is overigens ook het doel van de bezwaarmogelijkheid tegen een fictieve weigering, namelijk het bestuursorgaan zo snel mogelijk te bewegen tot (verplichte) besluitvorming, beter gediend.
Nu op grond van artikel 120, eerste lid, van het Besluit geen administratief beroep openstond tegen de fictieve weigering, heeft het Gerecht appellanten ten onrechte tegengeworpen dat artikel 35, vijfde lid, van de Rar aan de ontvankelijkheid van hun bezwaar in de weg stond.
3. Het Gerecht heeft het voorgaande miskend en het bezwaarschrift van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk geacht. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Omwille van de procedurele effectiviteit zal de Raad met voorbijgaan aan het bepaalde bij artikel 127, eerste lid, van de Rar, doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, het bezwaar zelf beoordelen. De redelijke termijn, waarbinnen een justitiabele een definitief rechterlijk oordeel mag verwachten over een door hem aanhangig gemaakt geding, noopt daar ook toe.
4. Toen acht maanden na het indienen van het verzoek geïntimeerde daarop nog niet had beslist, was de redelijke termijn daarvoor verstreken en hebben appellanten vervolgens tegen de fictieve weigering op 25 juli 2013 tijdig bezwaar ingediend bij het Gerecht. Nu geïntimeerde nog immer geen beslissing heeft genomen op het verzoek, hebben appellanten er recht op en belang bij dat de fictieve weigering wordt vernietigd. De Raad zal geïntimeerde de opdracht geven alsnog binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak een inhoudelijke beschikking te nemen op het verzoek.
5. De Raad ziet aanleiding geïntimeerde, als de in het ongelijk gestelde procespartij, op na te melden wijze te veroordelen in de proceskosten van appellanten in bezwaar en hoger beroep. Gelet op de relatieve eenvoud van de zaak is een wegingsfactor van 0,5 toegepast op de waarde van NAf 700,- per toegekend punt (4 punten x NAf 700,- x 0,5).

Beslissing

De Raad:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • vernietigt de fictieve weigering;
  • bepaalt dat geïntimeerde binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak alsnog zal beschikken op het verzoek;
  • veroordeelt het land Curaçao tot betaling aan appelanten van hun proceskosten in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van NAf 1.400,-, (zegge: veertienhonderd gulden) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en R.A. Ramirez en mr. L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.