4.2.Appellant heeft aangevoerd dat hij met zijn direct leidinggevende, [L], andere afspraken had over zijn werkuren. Daartoe heeft appellant als getuigen opgeroepen [L] en korpschef [R]. Wat de getuigen hebben verklaard heeft de Raad niet tot het oordeel gebracht dat van ongeoorloofde afwezigheid geen sprake was. Weliswaar is verklaard over een niet altijd optimaal werkende keycard registratie, maar dit acht de Raad in het licht van het uitgebreide onderzoek naar de aan- en afwezigheid van appellant in de desbetreffende maanden van 2016 en 2017 onvoldoende voor de conclusie dat aan het bestreden besluit niet ongeoorloofde afwezigheid ten grondslag had mogen worden gelegd. Ook dat wat overigens is verklaard, waaronder over de verweten niet bereikbaarheid tijdens piketdiensten, is onvoldoende voor de conclusie dat geïntimeerde het bestreden besluit niet toereikend heeft onderbouwd. Integendeel, de korpschef heeft verklaard dat appellant deed wat hij wilde, dat appellant te kennen had gegeven avonddiensten te zullen draaien, maar dat die niet werden geregistreerd en dat appellant ging duiken als hij piketuren had, wat niet acceptabel is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.2.1.Appellant heeft verder aangevoerd dat geïntimeerde bij de afweging van de betrokken belangen de nadelige gevolgen voor appellant onvoldoende heeft meegewogen. Appellant wijst daarbij onder meer op de financiële gevolgen van het ontslag, de zeer beperkte vooruitzichten op de arbeidsmarkt, mede gezien zijn leeftijd, en de (financiële) zorg voor zijn minderjarige autistische dochter. In plaats van strafontslag op te leggen, had geïntimeerde appellant een andere baan bij de overheid kunnen aanbieden.
4.2.2.Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat geïntimeerde met het bestreden besluit tot een evenredige belangenafweging is gekomen. De Raad verwijst hiervoor naar de onder rechtsoverweging 2 weergegeven overwegingen van het Gerecht waarmee de Raad zich verenigt. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. Gelet op het grote aantal plichtsverzuimen, de aard, de ernst en het in sommige gevallen structurele karakter van de plichtsverzuimen, de voorbeeldfunctie die van appellant als leidinggevende mag worden verwacht, de houding van appellant ten opzichte van zijn collega’s, leidinggevenden en de hoofdofficier van justitie en zijn staat van dienst, heeft geïntimeerde in redelijkheid zodanig zwaar mee kunnen wegen dat de door appellant daar tegenover gestelde persoonlijke belangen onvoldoende zijn om af te zien van de zwaarste mogelijke disciplinaire straf van ontslag. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.
4.3.1.Appellant heeft vervolgens onder verwijzing naar rechtspraak aangevoerd dat geïntimeerde in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet binnen een jaar na de pleegdatum de straf heeft opgelegd. Alle plichtsverzuimen vonden immers plaats voor april 2017, terwijl het ontslagbesluit pas op 29 mei 2018 is genomen.
4.3.2.Anders dan appellant betoogt, geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Geïntimeerde heeft appellant op 20 december 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf op te leggen van onvoorwaardelijk ontslag. Met dit voornemen heeft geïntimeerde vastgesteld dat appellant zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Het bestreden besluit van 29 mei 2018 blijft daarmee binnen de termijn van een jaar. Bovendien heeft geïntimeerde in de tussenliggende periode op 22 januari 2018 en 21 maart 2018 besluiten genomen waarbij een derde deel van de inkomsten van appellant is ingehouden en appellant (verder) is geschorst. Daarmee kan niet worden gezegd dat appellant redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat hem een straf zou worden opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
4.4.1.Appellant heeft voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen bestreden besluiten 2 en 3 aangevoerd dat het Gerecht zich onbevoegd had moeten verklaren. Appellant had weliswaar ter zitting van het Gerecht te kennen gegeven geen belang meer te hebben bij de beoordeling van deze besluiten, maar tevens het Gerecht verzocht om geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten. In plaats van zich onbevoegd te verklaren heeft het Gerecht de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard in verband met een proceskostenveroordeling.
4.4.2.De Raad duidt deze beroepsgrond in die zin dat appellant stelt dat het Gerecht ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken waarom hij had verzocht. Deze beroepsgrond slaagt voor zover deze ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen bestreden besluit 2. Het procesbelang bij de beoordeling van dit bezwaar is immers komen te vervallen, omdat geïntimeerde bij bestreden besluit 3 van 21 maart 2018 bestreden besluit 2 heeft ingetrokken, dat wil zeggen nadat appellant op
19 februari 2018 bezwaar had gemaakt tegen bestreden besluit 2. Geïntimeerde is dus hangende het bezwaar tegemoet gekomen aan appellant. Hierin had het Gerecht aanleiding moeten zien om geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het bezwaar. Het Gerecht heeft dit niet onderkend, zodat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd voor zover het Gerecht heeft nagelaten om geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het bezwaar tegen bestreden besluit 2. Doende wat het Gerecht had behoren te doen, zal de Raad geïntimeerde veroordelen in deze kosten.
4.4.3.Voor zover de beroepsgrond ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen bestreden besluit 3 slaagt deze niet. Het procesbelang bij de beoordeling van dit bezwaar is immers komen te vervallen met bestreden besluit 1. Met het strafontslag per 1 juni 2018 is de schorsing geëindigd. Daarmee is de feitelijke betekenis aan de beoordeling van het bezwaar tegen bestreden besluit 3, en dus de beantwoording van de vraag of dit besluit rechtmatig was, komen te ontvallen. Voor een proceskostenveroordeling in die situatie bestaat in beginsel geen grond. De Raad ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan het Gerecht.
BON2019H0003 (aangevallen uitspraak 2)
5. Appellant heeft op 1 oktober 2018 bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering van geïntimeerde om te reageren op het verzoek om zijn bezoldiging (volledig) uit te betalen en het Gerecht tevens verzocht om een voorziening bij voorraad. Op 10 mei 2019 heeft appellant het bezwaar en het verzoek om een voorziening bij voorraad ingetrokken. Op 14 mei 2019 heeft geïntimeerde het Gerecht verzocht om appellant te veroordelen in de proceskosten van geïntimeerde omdat al een contramemorie was ingediend.
6. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft het Gerecht appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van de werkelijk gemaakte proceskosten tot een bedrag van USD 2.700,-. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. Appellant was er al mee bekend dat zijn bezoldiging over de maand mei 2018, waarop het door hem inmiddels ingetrokken bezwaar en verzoek om een beslissing bij voorraad zagen, door geïntimeerde was uitbetaald. Van appellant mocht worden verwacht dat hij geen zaken indient, waarbij hij geen belang (meer) heeft. Als hij dat ten tijde van de indiening niet wist, was hij daar in ieder geval in de aanloop naar de behandeling ter zitting door geïntimeerde van op de hoogte gebracht. Door deze zaken door te zetten en tot het laatste moment te wachten met intrekking van het bezwaar, terwijl hij wist of had kunnen weten dat de betalingen van zijn bezoldiging reeds waren afgehandeld, heeft appellant misbruik gemaakt van procesrecht.
7. In hoger beroep heeft appellant zich tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd. Daarbij heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een proceskostenveroordeling als hier aan de orde.
8. Deze beroepsgrond slaagt. De Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES kent geen bepaling die als kapstok zou kunnen dienen voor een overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij artikel 50, tiende lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES op grond waarvan het Gerecht bevoegd is in geval van intrekking van het beroep bij afzonderlijke uitspraak een proceskostenveroordeling uit te spreken. Bovendien gaat het dan om de veroordeling van het bestuursorgaan in de kosten van de partij aan wie het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen en niet, zoals in dit geval, om een proceskostenveroordeling van de partij die in beroep is gegaan. Evenmin kent de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES een bepaling die als kapstok zou kunnen dienen voor een overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij artikel 50, negende lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES op grond waarvan het Gerecht bevoegd is een natuurlijke persoon in de kosten te veroordelen in geval van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het is niet aan de rechter om de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES op deze punten aan te vullen. Het Gerecht heeft dit niet onderkend, zodat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat het Gerecht had behoren te doen, verklaart de Raad zich onbevoegd.
9. De Raad ziet aanleiding om geïntimeerde te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep.