ECLI:NL:ORBAACM:2021:19

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 april 2021
Publicatiedatum
25 mei 2021
Zaaknummer
AUA2017H00190
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 104 LvarArt. 105 LvarArt. 106 Lvar
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep wegens ontbreken gronden in beroepschrift

Appellant heeft op 19 oktober 2017 een pro forma beroepschrift ingediend tegen een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba. Dit beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden waarop het hoger beroep berust. De Raad heeft appellant bij brief van 24 november 2017 een termijn gesteld tot 22 december 2017 om de gronden alsnog aan te vullen.

Appellant heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid en ook geen uitstel verzocht. Op grond hiervan heeft de Raad toepassing gegeven aan artikel 106, eerste lid, van de Lvar en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing is genomen door de voorzitter en leden van de Raad en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021. Hiermee is het hoger beroep definitief afgewezen vanwege het ontbreken van de noodzakelijke beroepsgronden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
Beschikking op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba van
18 september 2017, AUA201600601 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld, advocaat
en

de minister van Justitie,

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.P. Jansen, werkzaam bij DWJZ

Procesverloop

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant op 19 oktober 2017 hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 104, eerste lid, aanhef en onder c, van de Lvar houdt het beroepschrift de gronden in waarop het hoger beroep berust.
Op grond van artikel 105 wijst Pro de voorzitter van de Raad de inzender van een beroepschrift die de voorschriften van artikel 104 niet Pro in acht heeft genomen, op het gepleegde verzuim en nodigt hem uit dit binnen een bepaalde termijn te herstellen.
Op grond van artikel 106, eerste lid, kan degene die niet binnen de door de voorzitter bepaalde termijn het door hem gepleegde verzuim heeft hersteld, zonder dat een nader onderzoek vereist is, door de Raad in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Appellant heeft op 19 oktober 2017 een zogeheten pro forma beroepschrift ingediend tegen de aangevallen uitspraak. Hierin ontbreken de gronden van het beroep. In het beroepschrift heeft appellant aangekondigd zo spoedig mogelijk de gronden in te dienen. Bij brief van 24 november 2017 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van de brief, dat wil zeggen voor 22 december 2017, een aanvullend beroepschrift in te dienen.
3. Appellant heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt en ook niet om uitstel verzocht. Gelet hierop zal de Raad toepassing geven aan artikel 106, eerste lid, van de Lvar en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad
verklaarthet hoger beroep
niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.