Uitspraak
RAAD VAN BEROEP
20 juli 2020, GAZA AUA201904102 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant, werkzaam als administratief medewerker bij het Departamento di Impuesto in Aruba, verzocht in 2015 om bevordering naar hogere rangen binnen de ambtenarenschaal. Dit verzoek werd door de Minister van Financiën en Overheidsorganisatie afgewezen vanwege onvoldoende beoordeling van appellant, veroorzaakt door een verleden van langdurige en veelvuldige afwezigheid wegens ziekte en ongeoorloofd verzuim.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken vernietigde het bestreden besluit, maar verklaarde de rechtsgevolgen daarvan in stand (gedektverklaring). Appellant stelde in hoger beroep dat het Gerecht ten onrechte tot gedektverklaring was overgegaan en dat er geen beoordeling had plaatsgevonden vanwege zijn ziekteperiode. Tevens voerde hij schending van het gelijkheidsbeginsel aan en stelde dat een eerder bevorderingsverzoek uit 2013 onterecht niet was behandeld.
De Raad overwoog dat de gedektverklaring door het Gerecht in lijn is met de geldende rechtspraak en dat de afwijzing van het bevorderingsverzoek deugdelijk was onderbouwd. De langdurige afwezigheid van appellant, gemiddeld ruim 90 dagen per jaar, en de opgelegde disciplinaire straffen maakten een positieve beoordeling niet mogelijk. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en eerdere correspondentie werden verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het bevorderingsverzoek bevestigd.