Uitspraak
RAAD VAN BEROEP
[Appellant]
19 mei 2021, CUR20200829 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant is tijdens werktijd in 2000 gevallen en heeft daar schouderklachten aan overgehouden. De minister heeft dit ongeval in 2011 als dienstongeval erkend en toegezegd dat noodzakelijke medische kosten volgens de toen geldende regeling volledig zouden worden vergoed.
Appellant verzocht in 2016 om vergoeding van medische kosten die hij tussen 2001 en 2008 en in 2015 in de Dominicaanse Republiek maakte. Ter onderbouwing overhandigde hij een factuur van een orthopeed/traumatoloog, maar zonder medische verklaringen die de noodzaak van de behandelingen bevestigen.
De minister wees het verzoek in 2019 af wegens het ontbreken van een geneeskundige verklaring. Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zich eerst tot huisartsen en specialisten in Curaçao had gewend en later tot de specialist in de Dominicaanse Republiek, maar kon geen medische bewijsstukken overleggen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de behandelingen medisch noodzakelijk waren, mede omdat geen medische verklaringen of toelichtingen op de factuur werden overlegd. Ook het verweer dat appellant niet wist dat hij de noodzaak moest onderbouwen, faalde. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandelingen medisch noodzakelijk waren.