ECLI:NL:ORBAACM:2022:87

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
31 augustus 2022
Publicatiedatum
2 september 2022
Zaaknummer
CUR2021H00243
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep op gelijkheidsbeginsel bij benoeming seniorfunctie politie Curaçao

Appellant was voor de reorganisatie van het Korps Politie Curaçao (KPC) medewerker wijkteam en werd bij de reorganisatie per 1 december 2013 benoemd tot senior tactisch rechercheur. Hij maakte bezwaar tegen deze benoeming omdat hij meende dat hij tot teamleider had moeten worden benoemd, net als enkele collega’s die volgens hem vergelijkbare werkzaamheden verrichtten.

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de plaatsing gebaseerd moest zijn op de formele aanstellingsbesluiten en niet op feitelijke werkzaamheden. Appellant stelde in hoger beroep dat de regering het gelijkheidsbeginsel had geschonden door hem anders te behandelen dan collega’s die wel teamleider werden.

De Raad van Beroep oordeelde dat het aanstellingsbesluit leidend is voor de benoeming en dat de feitelijke werkzaamheden als waarnemend teamleider niet tot een formele benoeming hadden geleid. De verklaring van een getuige en het dienstrooster boden onvoldoende bewijs dat appellant en genoemde collega’s in gelijke gevallen verkeerden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalde daardoor.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de benoeming in de seniorfunctie wordt bevestigd.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant]

wonende te Curaçao,
appellant,
gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van
30 juli 2021, CUR201602076 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant,
en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde (hierna: de regering),
gemachtigden: mrs. C.A. Peterson en S.I. Da Costa Gomez, advocaten

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De regering heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting van 11 augustus 2022 behandeld, tegelijk met de zaken met nrs. CUR2021H00242, CUR2021H00244, CUR2021H00245 en CUR2021H00247
.Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, die
[E] als getuige (getuige) heeft meegenomen. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. In de genoemde zaken is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1.
Appellant vervulde vóór de reorganisatie van het Korps Politie Curaçao (KPC) op 1 december 2013 de functie van medewerker wijkteam, schaal 6.
1.2.
In het kader van de reorganisatie van het KPC en de overgang naar het Gereorganiseerd Korps Politie Curaçao (GKPC) heeft de regering appellant bij landsbesluit van 23 december 2015 (plaatsingsbesluit) met ingang van 1 december 2013 benoemd in de voor appellant vastgestelde volgfunctie van senior tactisch rechercheur bij de unit Veel Voorkomend Criminaliteit (VVC), schaal 8P, trede 10.
1.3.
Appellant heeft tegen het plaatsingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij tot teamleider VVC, schaal 10P, (teamleider) had moeten worden benoemd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft daarbij onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 januari 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:1, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. De volgfunctie waarin een KPC-medewerker bij de plaatsing in het GKPC werd benoemd moest voor 2/3 deel of meer overeenkomen met de functie die de medewerker in de periode van
1 december 2010 tot 1 december 2013 (de peilperiode) in het KPC vervulde. Voor de plaatsing gold verder als uitgangspunt dat de rechtspositie van de KPC-medewerker moest worden gerespecteerd. Deze rechtspositie ligt vast in een rechtspositioneel besluit, zoals het aanstellingsbesluit. Dit betekent dat de functie, waarin de KPC-medewerker formeel, bij landsbesluit, was aangesteld, leidend was voor het vaststellen van de volgfunctie.
Het aanstellingsbesluit en niet de feitelijke uitgevoerde werkzaamheden in de peilperiode vormde dus de basis voor de plaatsing in het GKPC. De in de peilperiode verrichte werkzaamheden als teamleider hebben niet geleid tot formalisering in enig rechtspositioneel besluit. Dit betekent dat de regering deze werkzaamheden terecht niet heeft betrokken bij de vaststelling van de volgfunctie van appellant. De regering heeft appellant dan ook kunnen benoemen in de functie van senior tactisch rechercheur VVC. Appellant heeft nagelaten zijn beroep op de door hem genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur te onderbouwen, zodat deze grond evenmin slaagt.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. In de kern heeft hij aangevoerd dat de regering het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden omdat, zo begrijpt de Raad, hij in dezelfde positie verkeerde als collega’s van appellant die wel zijn benoemd in de functie van senior tactisch rechercheur VVC.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Appellant heeft de door hem gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel als volgt onderbouwd. Appellant en de door hem met name genoemde collega’s hebben in de peilperiode in opdracht van de leidinggevende werkzaamheden verricht als waarnemend teamleider. Dit blijkt volgens appellant uit het door hem overgelegde dienstrooster, “werkplek overzicht”, over de jaren 2010 tot en met 2021. Om die reden is het niet te rechtvaardigen dat de collega’s, in tegenstelling tot appellant, wel zijn benoemd in de functie van teamleider. De meegebrachte getuige kan bevestigen dat appellant en zijn collega’s in feite werkzaamheden als teamleider heeft verricht.
4.2.
De getuige heeft tijdens de zitting verklaard dat hij met appellant en de door hem genoemde collega’s in wijkbureau Brievengat in ploegendienst werkzaam was. Zij werden destijds, gedurende ongeveer de jaren 2008-2013, volgens het dienstrooster en in opdracht van de waarnemend wijkchef ingezet als wachtcommandant/ploegleider. Bij deze werkzaamheden gaven zij leiding aan een ploeg politieagenten en droegen daarvoor de verantwoordelijkheid.
4.3.
De enkele verklaring van de getuige in samenhang met het overgelegde dienstrooster bieden onvoldoende steun voor de stelling dat appellant in dezelfde situatie verkeerde als de door hem genoemde collega’s. Concrete informatie over de aard en wijze van benoeming van de collega’s in het GKPC en ook gegevens waaruit is op te maken dat de carrière van appellant en de collega’s op dezelfde wijze is verlopen, ontbreken. Dit betekent dat met wat appellant heeft aangevoerd niet is komen vast te staan dat hij in dezelfde positie verkeerde als die van de genoemde collega’s. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
4.4.
Het beroep van appellant op de (overige) algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt evenmin, alleen al omdat hij heeft nagelaten dit beroep te onderbouwen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad van Beroep
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en drs. P.J. Thijssen en mr. P. Klik, als leden, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.