ECLI:NL:ORBAACM:2023:54

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
20 juli 2023
Publicatiedatum
26 juli 2023
Zaaknummer
CUR2022H00275
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 LMAArt. 9 BzlArt. 20 LMA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging benoemingsbesluit wegens ontbreken toelage en opdracht tot nieuw besluit

Appellant was in vaste dienst bij het ministerie van Justitie en werd vanaf 2010 beloond met een toelage voor beschikbaarheid en bereikbaarheid. Bij benoeming in 2021 tot communicatieadviseur bij het parket van de Procureur-Generaal werd in het benoemingsbesluit de toelage niet vermeld, wat tot bezwaar leidde. Het Gerecht verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het meende dat alleen de minister bevoegd was de toelage toe te kennen.

De Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 11 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) de regering als bevoegd gezag bij de benoeming ook de toelage had moeten opnemen in het benoemingsbesluit. Hoewel artikel 9 van Pro het Bezoldigingslandsbesluit (Bzl) de bevoegdheid tot het toekennen van toelagen aan de minister toekent, geldt dit niet als de toelage gelijktijdig met de aanstelling wordt toegekend.

De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de toelage ontbreekt en draagt de regering op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin de toelage wordt toegekend. Tevens veroordeelt de Raad de regering tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het benoemingsbesluit wordt vernietigd voor het ontbreken van de toelage en de regering wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin de toelage wordt toegekend.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[appellant]

wonende te Curaçao,
appellant,
gemachtigde: mr. R.G. Spinhoven
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 28 september 2022, CUR202101138 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant
en

de Regering van Curaçao

(hierna: de regering),
gemachtigde: mr. C.A. Peterson, advocaat

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De regering heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld ter zitting van 14 juli 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde die vergezeld werd door A en
B.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant werkte in vaste dienst bij het ministerie van Justitie en was sinds
10 oktober 2010 ter beschikking gesteld van de Kustwacht in de functie van voorlichter. Bij landsbesluit van 14 maart 2014 heeft de regering appellant met ingang van 10 oktober 2010 een toelage toegekend als vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid.
1.2.
Bij landsbesluit van 12 februari 2021, nr. 21/130, heeft de regering appellant voor de periode van 1 augustus 2018 tot 15 augustus 2020 ter beschikking gesteld van het parket van de Procureur-Generaal (PG) in de functie van communicatie adviseur TBO. Bij dit landsbesluit heeft de regering appellant een maandelijkse toelage ter hoogte van 25% (toelage) van zijn bezoldiging toegekend.
1.3.
Bij landsbesluit van 12 februari 2021, nr. 21/131 (bestreden besluit), heeft de regering appellant per 15 augustus 2020 benoemd tot communicatie adviseur TBO bij het parket van de PG. Bij het bestreden besluit heeft de regering de bezoldiging vastgesteld op schaal 11, trede 9.
1.4.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt omdat daarin de toelage ontbreekt.
1.5.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft de PG bij brief van 20 mei 2021 de toenmalige minister van Justitie (minister) erop gewezen dat in het bestreden besluit abusievelijk de functienaam van appellant onjuist is weergegeven en dat de vermelding van de toelage ontbreekt. De PG heeft de minister verzocht het bestreden besluit in te trekken en een nieuw landsbesluit, waarvan een concept bij de brief was gevoegd, uit te vaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht overwogen dat niet de regering, maar de minister bevoegd is om de toelage toe te kennen. Het Gerecht kan de regering daarom niet opdragen appellant de toelage toe te kennen. Dat de minister het bestreden besluit mede heeft ondertekend maakt dat niet anders. De minister en de regering zijn verschillende bestuursorganen aan wie op grond van de wet andere bevoegdheden zijn toegekend.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
Wettelijk kader
4.1.1.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) ontvangt de ambtenaar een schriftelijke aanstelling die het ambt alsmede zijn naam, voornamen en geboortedatum vermeldt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, vermeldt de aanstelling de bezoldiging en de andere voordelen in geld, die de ambtenaar worden toegekend.
4.1.2.
Op grond van artikel 20 van Pro de LMA kunnen aan de gewone bezoldiging die voor een ambtenaar geldt bijzondere individuele vergoedingen en verhogingen of persoonlijke toelagen met een periodiek karakter worden verbonden. De gronden waarop een zodanige verhoging of toelage kunnen worden toegekend worden in de in het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (Bzl) bepaald.
4.1.3.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Bzl kan de betrokken minister aan de ambtenaar aan wie zodanige eisen worden gesteld dat zijn positie of taak een bijzonder karakter draagt, een in ieder afzonderlijk geval vast te stellen toelage toekennen. Op grond van het tweede lid wordt de toelage bepaald op ten hoogste 25% van de bezoldiging van de betrokken ambtenaar.
Geschil
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant recht heeft op de toelage zoals hij die sinds 10 oktober 2010 heeft ontvangen. Het geschil is beperkt tot het antwoord op de vraag of de minister bij uitsluiting bevoegd is om de toelage toe te kennen.
Beoordeling
4.3.
Het bestreden besluit ziet op de aanstelling van appellant in een functie bij het parket van de PG. Gelet op artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c, van de LMA vermeldt de regering, als het bevoegd gezag voor de aanstelling, in het aanstellingsbesluit de voordelen in geld die de ambtenaar toekomen. De toelage is een voordeel in geld. Dit betekent dat het op de weg van de regering had gelegen om in de situatie als hier aan de orde, waarin sprake is van de benoeming van appellant in een functie waarbij het de bedoeling is om een reeds eerder toegekende toelage voort te zetten, in het benoemingsbesluit tevens de toelage op te nemen. Weliswaar is in artikel 9, eerste lid, van het Bzl de bevoegdheid om een toelage toe te kennen toebedeeld aan de minister, maar in de specifieke situatie waarin bij de aanstelling ook de toelage wordt toegekend, is de regering op grond van artikel 11 van Pro de LMA het bevoegd gezag.
4.4.
Gelet op 4.3 slaagt het hoger beroep, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin niet is opgenomen dat aan appellant de toelage wordt toegekend, en de regering opdragen om binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
5. Aanleiding bestaat om de regering te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op NAf 3.150,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1,5 punt voor de zittingen bij het Gerecht, 1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor de zitting bij de Raad, NAf 700,- per punt).
Ten overvloede
6. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij brief van
3 oktober 2022 de minister verzocht hem vanaf 15 augustus 2020 een toelage toe te kennen. Gelet op het feit dat het een afzonderlijk verzoek om een toelage betreft, dat is gedaan nadat de regering het bestreden besluit had genomen, is de minister op grond van artikel 9, eerste lid, van het Bzl bevoegd om op dit verzoek een beslissing te nemen. Echter, gelet op de in 4.4 vermelde opdracht die de Raad aan de regering zal geven, kan de minister een beslissing in dit geval achterwege laten.

Beslissing

De Raad:
  • vernietigtde aangevallen uitspraak;
  • verklaarthet bezwaar
    gegrond;
  • vernietigthet landsbesluit van 12 februari 2021, nr. 21/131, voor zover daarin niet is opgenomen dat aan appellant de toelage wordt toegekend;
  • draagtde regering
    opbinnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
  • veroordeeltde regering in de vergoeding van de kosten van appellant tot een bedrag van NAf 3.150,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende bijstand.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.