Betrokkene, sinds 2006 lerares werktuigbouwkunde, volgde zonder toestemming een religieuze opleiding in Florida na afwijzing van haar verlofverzoek. De minister verleende daarop eervol ontslag wegens ernstig plichtsverzuim.
Het Gerecht verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het ontslag omdat het disproportioneel was gezien de onberispelijke staat van dienst en het religieuze motief. De minister stelde in hoger beroep dat het ontslag passend was.
De Raad stelt vast dat het plichtsverzuim vaststaat, maar oordeelt dat het ontslag als zwaarste sanctie in dit geval disproportioneel is. De communicatie over het verlof was duidelijk, maar betrokkene handelde niet met kwade opzet. De Raad bevestigt het oordeel van het Gerecht en vernietigt het ontslagbesluit.
Betrokkene heeft recht op terugkeer en salaris, maar wenst niet terug te keren. De minister wordt opgedragen in overleg tot een beëindigingsovereenkomst te komen met eervol ontslag.