ECLI:NL:ORBAACM:2025:28

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
CUR2024H00012
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 107 RArArt. 108 RArArt. 125 RAr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzet tegen uitspraak Raad van Beroep in ambtenarenzaak

De opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van Beroep van 13 december 2023 in een ambtenarenzaak over eervol ontslag. De Raad beoordeelt dat het verzet niet ontvankelijk is omdat het niet is gericht tegen een beschikking zoals bedoeld in artikel 107 van Pro de Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr), maar tegen een einduitspraak volgens artikel 125 RAr Pro.

De opposant stelde dat fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op hoor en wederhoor en het recht op een eerlijke procedure zijn geschonden doordat hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting van 1 december 2023. De Raad oordeelt dat de opposant in eerdere instanties en schriftelijk in hoger beroep zijn standpunten uitgebreid heeft kunnen toelichten. De zitting kon doorgaan omdat de gemachtigde van de opposant op het laatste moment had gedesisteerd zonder voldoende reden en zonder te zorgen voor vervanging.

De Raad concludeert dat er geen sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen en dat de procedure voldoet aan artikel 6 EVRM Pro. Daarom wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard en komt de Raad niet toe aan inhoudelijke beantwoording van het verzet.

Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak van de Raad van 13 december 2023 wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAҪAO

Uitspraak

op verzet, gericht tegen de uitspraak
van de Raad van 13 december 2023, CUR2022H00114 en CUR2022H00115,
in de zaak van:

[Opposant],wonende in Curaçao,opposant (hierna: opposant),

gemachtigde: mr. B. Lie Atjam
en

de Regering van Curaçao

geopposeerde (hierna: de regering),
gemachtigde: mr. C.A. Peterson, advocaat

Procesverloop

Met het landsbesluit van 20 mei 2021 heeft de regering [Opposant] met ingang van 15 juni 2021 eervol ontslag verleend. [Opposant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Het Gerecht heeft met de uitspraak van 12 april 2022, CUR202101850 en CUR202102520, het bezwaar gegrond verklaard, het ontslagbesluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het ontslagbesluit in stand gelaten. [Opposant] heeft tegen deze uitspraak van het Gerecht hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft met de uitspraak van 13 december 2023, CUR2022H00114 e.v. de uitspraak van het Gerecht bevestigd en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
[Opposant] heeft op 11 januari 2024, aangevuld op 20 februari 2024, een verzetschrift op grond van artikel 108, eerste lid, van de Regeling Ambtenarenrechtspraak (hierna: RAr) ingediend tegen de uitspraak van de Raad.
De Raad heeft in een gewijzigde samenstelling het verzet behandeld op de zitting van 24 oktober 2025. [Opposant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling

1. De Raad oordeelt in deze zaak over het verzet van [Opposant] tegen de uitspraak van de Raad van 13 december 2023.
1.1.
De RAr kent een regeling voor het doen van verzet. Die regeling is neergelegd in de artikelen 107 en 108 van de RAr.
1.1.1.
Artikel 107, eerste lid, luidt als volgt: “Is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond, dan kan, zonder dat een nader onderzoek door de raad vereist is, de voorzitter bij met redenen omklede beschikking het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren.”
1.1.2.
Artikel 108, eerste lid, luidt: “Tegen de beschikking in het vorige artikel vermeld kan de inzender van het beroepschrift, met inachtneming van de onderscheidingen in artikel 98, eerste lid, gemaakt binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak dan wel van de toezending of van de terhandstelling, schriftelijk verzet doen bij de raad.”
Is voldaan aan de wettelijke vereisten van verzet?
2. [Opposant] heeft in zijn verzetschrift aangegeven dat het verzet is gegrond op artikel 108 RAr Pro. Gelet op hetgeen ter zitting met [Opposant] is besproken is hij zich ervan bewust dat de RAr slechts het rechtsmiddel van verzet heeft opengesteld tegen een door de voorzitter van de Raad op grond van artikel 107 van Pro de RAr gegeven beschikking (in geval van een kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond hoger beroep).
2.1.
De Raad ziet in het Eerste Hoofdstuk van Titel IV van de RAr (‘EERSTE HOOFDSTUK Gewoon geding in hoger beroep’) een gesloten stelsel van (gewone) rechtsmiddelen. De bepalingen zijn duidelijk. Tegen een door de voorzitter op grond van artikel 107 van Pro de RAr gegeven beschikking staat de mogelijkheid van verzet open. Tegen een in meervoudige samenstelling gewezen uitspraak van de Raad op grond van artikel 125 van Pro de RAr staat geen (gewoon) rechtsmiddel meer open; de Raad heeft dan immers als hoogste rechter in ambtenarenzaken een einduitspraak gegeven. De uitspraak van de Raad van 13 december 2023 is niet een beschikking in de zin van artikel 107 van Pro de RAr maar een uitspraak als bedoeld in artikel 125 van Pro de RAr.
2.2.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de vereisten voor het indienen van een ontvankelijk verzetschrift.
Is er aanleiding voor verzet buiten het wettelijk kader?
3. [Opposant] stelt dat in zijn geval door de Raad toch inhoudelijk op het verzet moet worden geoordeeld, omdat bij het doen van de uitspraak van de Raad van 13 december 2023 fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Die schending bestaat volgens [Opposant] daarin dat hij niet de kans heeft gehad aanwezig te zijn bij de zitting van 1 december 2023 om daar, met zijn advocaat, zijn standpunt naar voren te brengen. Dit is in strijd met het recht op hoor en wederhoor, met het verdedigingsbeginsel en met het recht op een eerlijke procedure als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, waardoor geen eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden. [Opposant] wil dat de Raad het verzet gegrond verklaart, de uitspraak van 13 december 2023 vernietigt, zodat het hoger beroep van [Opposant] door de Raad opnieuw kan worden behandeld.
3.1.
De Raad volgt [Opposant] niet in dit betoog. De procedure over het ontslagbesluit van [Opposant] is een procedure op tegenspraak in twee instanties. [Opposant] heeft in beide instanties, bijgestaan door zijn advocaat, uitgebreid zijn standpunt naar voren gebracht. In beroep schriftelijk en mondeling. In hoger beroep schriftelijk. Wat betreft de zitting in hoger beroep is het volgende van belang.
3.1.1.
De gemachtigde van [Opposant] heeft op de zitting van de Raad van 30 januari 2023 een verzoek tot wraking gedaan, met als gevolg dat het onderzoek is geschorst. Dat onderzoek is voortgezet nadat de Raad bij uitspraak van 14 maart 2023 het wrakingsverzoek heeft afgewezen. De Raad heeft vervolgens de mondelinge behandeling van het hoger beroep ter zitting eerst gepland op 13 juli 2023, daarna op 17 juli 2023 en nadien op 18 juli 2023. De gemachtigde van [Opposant] heeft om uiteenlopende redenen voor alle drie de zittingsdata om uitstel gevraagd, welke verzoeken zijn gehonoreerd. De zaak kon uiteindelijk, rekening houdend met de verhinderdata van de gemachtigde, geagendeerd worden voor behandeling ter zitting op 1 december 2023. Het verzoek tot uitstel van deze zitting van de gemachtigde van [Opposant] van 24 november 2023 is diezelfde dag door de Raad afgewezen. [Opposant] is op 27 november 2023 aangehouden. Bij mailbericht van 30 november 2023 om 10:57 uur p.m., heeft de gemachtigde van [Opposant] de Raad het volgende bericht:
‘Wegens onvoorziene omstandigheden desisteer ik van bovengenoemde zaken.
Appellant, E.G. [Opposant], bevindt zich momenteel in het Huis van Bewaring in Curaçao en wenst dat hij persoonlijk in aanwezigheid van zijn advocaat zal moeten zijn tijdens de behandeling van de desbetreffende zaken. Artikel 6 EVRM Pro biedt hem die mogelijkheid.’
3.1.2.
De Raad stelt vast dat in dit bericht geen reden is gegeven voor het desisteren anders dan wegens onvoorziene omstandigheden.
3.1.3.
De Raad is op 1 december 2023 kort voor het tijdstip van behandeling van de zaak met dit bericht geconfronteerd en heeft, belangen afwegend, ervoor gekozen de zitting te laten doorgaan. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat de Raad bij de beslissing om de zitting op 1 december 2023 te laten doorgaan, de verschillende belangen heeft betrokken , waaronder – naast de belangen van [Opposant] – die van de regering, alsmede het belang van de rechtspleging gemoeid met voortgang van procedures en het voorkomen van schending van de redelijke termijn (‘undue delay’). Voorts blijkt uit de zittingsaantekeningen dat de Raad ter zitting aan de orde heeft gesteld dat indien de Raad na de zitting tot de conclusie zou komen dat [Opposant] alsnog gehoord zou moeten worden, het onderzoek zou worden heropend.
3.2.
In deze zaak is in het bijzonder nog van belang dat de gemachtigde al op
24 november 2023 wist dat zijn client zou worden aangehouden. Hij had [Opposant] er toen al op kunnen wijzen dat hij zelf kon verzoeken om transport op 1 december 2023 van het Huis van Bewaring naar het Gerechtsgebouw, welke verzoeken gewoonlijk worden gehonoreerd. [Opposant] had dan de zitting kunnen bijwonen, eventueel bijgestaan door een (andere) gemachtigde.
De mededeling van de gemachtigde in de late avond voorafgaande aan de dag van de zitting dat hij desisteerde, zonder enige toelichting, en zonder er voor zorg te dragen dat [Opposant] kon worden bijgestaan door een andere gemachtigde, merkt de Raad aan als een poging de behandeling van de zaak (verder) te vertragen. Daarbij betrekt de Raad dat de gemachtigde nadien de belangen van [Opposant] weer is gaan behartigen, zonder de Raad hierover te informeren. Pas kort voor zitting is duidelijk geworden dat de gemachtigde weer voor [Opposant] optrad.
3.3.
Gelet op de gehele gang van zaken en hetgeen tussen partijen aan stukken en argumenten is gewisseld in beroep en hoger beroep, is de Raad van oordeel dat van de gestelde schending van fundamentele rechtsbeginselen niet is gebleken en dat de procedure in zijn geheel voldoet aan de eisen van een eerlijke procedure als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Slotsom
4. De Raad komt niet toe aan beantwoording van de vraag of het wettelijk stelsel van verzet kan worden doorbroken in geval van schending van fundamentele rechtsbeginselen, omdat van een dergelijke schending in deze zaak geen sprake is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2 tot en met 2.2. is overwogen, moet het verzet niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

De Raad van Beroep verklaart het verzet
niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. M.G.M. Schwengle, leden, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.