Uitspraak
Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[appellante],
24 februari 2025, zaaknummer CUR202400468 (aangevallen uitspraak),
de Regering van Curaçao,
Procesverloop
Overwegingen
1 mei 2017, dus korter dan drie jaar. Voor 1 september 2014 was zij aangesteld als medewerker Management D. Zij heeft destijds werkzaamheden verricht in verband met het op te zetten bureau bemiddeling. Voor zover zij toentertijd cliënten benaderde en bijstond in verband met bemiddeling deed zij dat buiten haar functiebeschrijving om. Dergelijke werkzaamheden behoorden toentertijd niet tot haar eigen werk en zijn haar ook niet opgedragen. Pas vanaf 1 september 2014 is appellante aangewezen als Adviseur Consulent D en was het haar werk om te bemiddelen bij conflicten. Na terugkomst van de heer [X], haar leidinggevende, per 1 mei 2017, is de waarneming geëindigd. Dit is per landsbesluit vastgelegd. Per die datum is ook de waarnemingstoelage stopgezet. Eventuele activiteiten van appellante als bemiddelaar na 1 mei 2017 deed zij niet uit hoofde van de waargenomen functie. Wel heeft het ministerie bewilligd in de terbeschikkingstelling van appellante als bemiddelaar aan het OM, vanaf medio 2018 voor twee dagdelen per week en per medio 2019 voltijds.
‘4.1. Anders dan het Gerecht heeft overwogen en met appellante is de Raad van oordeel dat het antwoord op de vraag of appellante ten minste drie jaar heeft waargenomen van betekenis is gebleven voor de beoordeling van het hier voorliggende geschil.Dat een derde inmiddels is benoemd in de waarnemingsfunctie maakt dat niet anders. Bovendien heeft deze benoeming, zoals appellante onbetwist heeft gesteld, pas in de loop van 2019 plaatsgevonden, dus ruim na het verstrijken van de periode van drie jaar sinds de formele benoeming van appellante in de waarnemingsfunctie. De enkele vervulling van de vacature door een derde in 2019 sluit een herziening van de rechtspositie van appellante in 2017 dan ook niet uit.4.2. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en de aangevallen uitspraak op deze grond voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven op de grondslag dat appellante niet drie jaar heeft waargenomen.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode van 1 september 2014 tot 1 mei 2017 heeft waargenomen. Appellante heeft uitgebreid toegelicht dat en hoe zij de implementatie van de in de waarnemingsfunctie verrichte taken op het gebied van mediation in de periode vanaf 1 mei 2017 tot november 2017 heeft voortgezet. De regering heeft daartegenover slechts haar eerder in de procedure ingenomen stelling herhaald dat appellante na 1 mei 2017 geen werkzaamheden meer in het kader van de waarnemingsfunctie heeft verricht en dat daarom ook haar waarnemingstoelage is gestopt. Gelet op de omstandigheid dat een formele beëindiging van de waarneming achterwege is gebleven, had het evenwel op de weg van de regering gelegen om aan de hand van concrete gegevens te onderbouwen dat appellante vanaf 1 mei 2017 feitelijk geen werkzaamheden meer heeft verricht in de waargenomen functie. Dit heeft de regering nagelaten. De enkele verwijzing naar de beëindiging van de waarnemingstoelage is in dat verband onvoldoende. Het bestreden besluit kan dan ook op grond van dit motiveringsgebrek niet in stand blijven.’
Beslissing
vernietigtde aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten de Regering van Curaçao op te dragen een besluit te nemen tot toekenning aan appellante van een waarnemingstoelage over de periode 1 mei 2017 tot 1 januari 2020;
bepaaltdat de Regering van Curaçao binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak een besluit neemt tot toekenning aan appellante van een waarnemingstoelage over de periode 1 mei 2017 tot 1 januari 2020.