ECLI:NL:ORBAACM:2026:20

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
AUA2025H00223
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Landsverordening ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevordering ambtenaar opschuiven wegens langdurige arbeidsongeschiktheid

Deze zaak betreft het hoger beroep van de Gouverneur van Aruba tegen een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, waarin het landsbesluit van 2 november 2022 werd vernietigd wegens onvoldoende motivering bij de weigering om [betrokkene] per 1 februari 2022 te bevorderen naar schaal DAD04.

Het Gerecht had het bezwaar van [betrokkene] gegrond verklaard en de Gouverneur opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Gouverneur stemde in met de vernietiging, maar stelde dat ook bij correcte toepassing van het 90-dagenbeleid de bevordering terecht was geweigerd.

De Raad stelt vast dat partijen het eens zijn over de anciënniteitsperiode en het aantal dagen arbeidsongeschiktheid (554 dagen), waarvan 180 dagen in mindering moeten worden gebracht volgens het 90-dagenbeleid. Hierdoor moet de bevorderingsdatum met 374 dagen worden opgeschoven.

De Raad volgt het betoog van de Gouverneur dat de bevordering terecht is uitgesteld, omdat de anciënniteitsperiode vereist dat de ambtenaar de benodigde periode in actieve dienst heeft doorgebracht. Een positieve beoordeling van de leidinggevende doet hier niet aan af. De Raad vernietigt de uitspraak van het Gerecht voor zover het nalaat de rechtsgevolgen van het vernietigde landsbesluit in stand te laten en bepaalt dat deze rechtsgevolgen alsnog in stand blijven.

Uitkomst: De bevordering van de ambtenaar per 1 februari 2022 is terecht opgeschoven vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid en de rechtsgevolgen van het vernietigde landsbesluit blijven in stand.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 5 maart 2026
Zaaknummer: AUA2024H00223

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

De Gouverneur van Aruba,

appellant, hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. R. Henriquez
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
1 juli 2024, AUA202300089 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de gouverneur
en

[naam ambtenaar],

geïntimeerde, hierna: [betrokkene],
gemachtigde: mr. E. Duijneveld.

Procesverloop

De gouverneur heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 februari 2026. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J. Croes, jurist bij DRH. [Betrokkene] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat in de kern over de vraag of appellant, de Gouverneur, bij het landsbesluit van 2 november 2022 (bestreden landsbesluit) terecht heeft geweigerd [betrokkene] per 1 februari 2022 te bevorderen naar schaal DAD04. De Raad beantwoordt, anders dan het Gerecht heeft gedaan in de aangevallen uitspraak, die vraag bevestigend.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [betrokkene] gegrond verklaard, het bestreden landsbesluit vernietigd en de Gouverneur opgedragen binnen twee maanden een nieuw besluit te nemen. Het Gerecht heeft het bestreden landsbesluit vernietigd, omdat dit besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering. In de uitspraak heeft het Gerecht verder aangegeven van welke anciënniteitsperiode moet worden uitgegaan en met hoeveel dagen die periode moet worden verlengd vanwege de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] tijdens de anciënniteitsperiode.
Wat heeft de gouverneur aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. In hoger beroep heeft de Gouverneur aangegeven zich te kunnen vinden in de vernietiging van het bestreden landsbesluit, omdat daarbij ten onrechte toepassing was gegeven aan het zogenaamd 15%-beleid in plaats van het 90-dagen beleid. De Gouverneur betoogt echter dat het Gerecht de rechtsgevolgen van het bestreden landsbesluit in stand had moeten laten, omdat ook met een correcte toepassing van het 90-dagen beleid [betrokkene] per 1 februari 2022 niet in aanmerking komt voor de gevraagde bevordering.
Hoe oordeelt de Raad?
4.1.
Ter zitting is vastgesteld dat het aantal in aanmerking te nemen dienstjaren partijen niet langer verdeeld houdt. [Betrokkene] stelt dat per 2018 rekening gehouden moet worden met schaal 5 en zeven dienstjaren en niet met vier dienstjaren. De Gouverneur heeft aangegeven het hiermee eens te zijn, omdat bij de vraag of [betrokkene] voor bevordering in aanmerking komt in haar geval niet de nieuwe rechtspositieregeling dient te worden toegepast, maar uitgegaan dient te worden van de oude regeling, inclusief bijbehorende schalering. De reden daarvoor is dat de oude regeling voor [betrokkene] gunstiger uitpakt. Ook de Gouverneur is per 2018 uitgegaan van schaal 5 en zeven dienstjaren, zoals volgt uit het overzicht op pagina twee van de ter zitting door de Gouverneur overgelegde pleitnota.
4.2.
Partijen verschillen nog wel van mening over de vraag of [betrokkene] op 1 februari 2022 de hoogste periodiek van haar schaal had bereikt, zoals [betrokkene] stelt, of dat moet worden uitgegaan van 1 februari 2023, zoals de Gouverneur stelt.
De Raad laat de beantwoording van die vraag in het midden, omdat die niet relevant is voor de beantwoording van de hierboven geformuleerde rechtsvraag, namelijk of de Gouverneur de gevraagde bevordering per 1 februari 2022 al dan niet terecht heeft geweigerd. Ook indien wordt uitgegaan van 1 februari 2022 komt [betrokkene] per die datum niet voor bevordering naar schaal DAD04 in aanmerking, omdat daarbij geen rekening is gehouden met de toepassing van het 90-dagenbeleid. En dat had wel gemoeten.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene] tijdens de anciënniteitsperiode van 1 februari 2013 tot 1 februari 2021 op 554 dagen arbeidsongeschikt is geweest en dat daarop 180 (90 x 2) dagen in mindering dienen te worden gebracht. Dat betekent dat de bevorderingsdatum met 374 dagen (554 – 180) moet worden opgeschoven, oftewel 1 jaar en 9 dagen, om administratieve redenen afgerond op 1 jaar en
1 maand.
4.4.
De Raad volgt niet het betoog van [betrokkene] dat in haar geval geen aanleiding is voor opschuiven van de bevorderingsdatum, omdat zij een positief advies had van haar leidinggevende over haar functioneren. Tot de bevorderingseisen behoort ook de anciënniteitseis die inhoudt dat de betrokken ambtenaar de voor bevordering benodigde periode in actieve dienst moet hebben doorgebracht, hetgeen bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid niet het geval is. De Raad heeft eerder geoordeeld, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 maart 2023. ECLI:NL:ORBAACM:2023:22 en ECLI:NL:ORBAACM:2023:23, dat bij een arbeidsongeschiktheid van meer dan 90 dagen in de anciënniteitsperiode van vier jaar de Gouverneur bevoegd is de datum van bevordering op te schuiven. In het geval van [betrokkene] is de anciënniteitsperiode acht jaar zodat bij een arbeidsongeschiktheid van meer dan 180 dagen de gouverneur de datum van bevordering mag opschuiven met het aantal dagen boven de 180. Dat over [betrokkene] eerder een positieve beoordeling is uitgebracht doet hier niet aan af.
4.5.
Hieruit volgt dat [betrokkene] pas op 1 maart 2023 voor bevordering naar schaal DAD04 in aanmerking kwam. De weigering om haar per 1 februari 2022 te bevorderen, waarom zij had verzocht, was dus terecht.
4.6.
De Raad ziet geen aanleiding om vast te stellen dat [betrokkene] per 1 maart 2023 in aanmerking komt voor bevordering naar schaal DAD04, reeds omdat uit het dossier blijkt dat de Gouverneur [betrokkene] bij landsbesluit van 21 juni 2023 per 1 december 2022 al heeft bevorderd naar schaal DAD05.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is nagelaten om de rechtsgevolgen van de vernietiging van het landsbesluit van 2 november 2022 in stand te laten. De Raad ziet aanleiding om zelf te bepalen dat die rechtsgevolgen alsnog in stand dienen te blijven.
5.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep is geen aanleiding. Evenmin is er aanleiding de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te corrigeren. Het Gerecht heeft het bezwaar van [betrokkene] terecht gegrond verklaard en het landsbesluit van 2 november 2022 terecht vernietigd. De veroordeling van de Gouverneur tot betaling van de proceskosten van Afl. 1.400,- aan [betrokkene] is dan ook juist.

Beslissing

De Raad van Beroep:
  • vernietigtde uitspraak van het Gerecht van 1 juli 2024 (AUA202300089) voor zover daarbij is nagelaten de rechtsgevolgen in stand te laten van het vernietigde landsbesluit van 2 november 2022;
  • bepaaltdat die rechtsgevolgen van het vernietigde landsbesluit alsnog in stand worden gelaten.
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.