Een gepensioneerde politieambtenaar heeft de minister van Justitie verzocht om uitbetaling van achterstallig salaris en andere vergoedingen. De minister wees dit verzoek af met een beschikking van 11 maart 2025, waartegen geen bezwaar werd gemaakt bij het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba.
De verzoeker vroeg vervolgens op 25 november 2025 om een beslissing bij voorraad, maar het Gerecht wees dit verzoek op 23 februari 2026 af omdat geen bezwaar was ingediend tegen de beschikking. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
De verzoeker stelde dat de minister niet volledig op zijn verzoek had beslist en vroeg de voorzitter van de Raad van Beroep om het verzoek om een beslissing bij voorraad alsnog te behandelen. De voorzitter oordeelde echter dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat geen hoger beroep is ingesteld en dat tegen een beslissing bij voorraad van het Gerecht geen hoger beroep mogelijk is.
Daarom werd het verzoek niet inhoudelijk behandeld en afgewezen. Er werd ook geen proceskostenvergoeding toegekend.