ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK3005

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
21 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
RvBAz 2007/6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 RarArt. 41 Rar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van appellant in bezwaar tegen niet-toekenning FZOG-verzekering

Appellant, aan wie pensioen was toegekend op basis van een diensttijd van minder dan 15 jaar, betaalde premies voor het FZOG terwijl hij ten onrechte als verzekerde werd aangemerkt. Na ontdekking van deze fout werden de premies terugbetaald en de inhouding gestopt per 1 april 2003.

Appellant diende een bezwaarschrift in tegen de weigering hem een garantiekaart te verstrekken, maar dit werd door het Gerecht ongegrond verklaard. In hoger beroep klaagde appellant over het niet als verzekerde worden aangemerkt, maar de Raad oordeelde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend.

De Raad stelde vast dat appellant reeds spoedig na de stopzetting van de premies kennis had van de situatie en dat hij geen tijdige en ontvankelijke bezwaarprocedure had gevolgd. Ook ontbrak het aan een beschikking waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en werd de bestreden uitspraak vernietigd.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift.

Uitspraak

Uitspraak: 21 juni 2007
Zaaknr: RvBAz 2007/6
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
Uitspraak
In de zaak van:
[ambtenaar]
wonende te Curaçao,
oorspronkelijk klager, thans appellant,
gemachtigden: mr. A.E. de Windt,
tegen:
DE DIRECTEUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
zetelend te Curaçao,
oorspronkelijk verweerder, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M. Bonafasia.
1. Ontstaan en loop van het geding.
1.1. Op 26 januari 2006 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen de weigering hem een garantiekaart af te geven. Het Gerecht heeft dit bezwaar bij uitspraak van 21 december 2006 ongegrond verklaard.
1.2. Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 22 januari 2007. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.
1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 10 mei 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
1.4. De uitspraak is bepaald op heden.
2. Beoordeling.
Aan appellant is bij Landsbesluit van 11 juni 1996 met ingang van 26 september 1995 pensioen toegekend op basis van een diensttijd van 13 jaren, 10 maanden en twee dagen. Appellant heeft vervolgens premies ten behoeve van het FZOG afgedragen. In 2003 is ontdekt dat appellant ten onrechte werd aangemerkt als verzekerde, nu zijn diensttijd minder dan vijftien jaar bedroeg. Aan appellant zijn vervolgens alle sedert zijn pensionering ten behoeve van het FZOG ingehouden premies terugbetaald. Per 1 april 2003 is er geen premie meer ingehouden.
Ingevolge artikel 35, eerste lid van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1935 (Rar) kan -voorzover hier van belang- een bezwaarschrift worden ingediend tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen te beschikken.
Ingevolge artikel 41, eerste lid van de Rar wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is.
Ingevolge het derde lid van artikel 41 Rar Pro wordt degene die bezwaar inbrengt na de hiervoor bepaalde termijn, niet op grond daarvan niet-ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont, het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag, waarop hij van de aangevallen beschikking, handeling of weigering redelijkerwijs kennis kan dragen.
Het namens appellant bij het Gerecht ingediende bezwaarschrift richtte zich blijkens de bewoordingen daarvan niet tegen een beschikking van geïntimeerde, terwijl overigens evenmin enig als beschikking aan te merken stuk is overgelegd.
Appellant klaagt er in zijn bezwaarschrift over dat hij ten onrechte niet als FZOG verzekerde wordt aangemerkt. Niet is betwist dat de inhouding van FZOG-premies reeds per 1 april 2003 is gestaakt. Voorzover het bezwaarschrift zich tegen die handeling richt, is het niet tijdig ingediend. Appelant droeg immers reeds spoedig na de staking van de inhoudingen daarvan kennis, gelet op zijn uitlatingen ter zitting.
Hij heeft volgens zijn stelling in plaats van het aanwenden van een rechtsmiddel herhaaldelijk zijn toelating als verzekerde aan de orde gesteld bij geïntimeerde en via politieke contacten. Een afschrift van een schriftelijk verzoek aan geïntimeerde om terug te komen op zijn eerdere standpunt is in bezwaar en beroep echter niet overgelegd, terwijl evenmin op een andere wijze bepaalbaar is wanneer en op welke wijze appellant geïntimeerde heeft benaderd met zijn verzoeken.
Naar het oordeel van de Raad is er daarom evenmin sprake van een ontvankelijk bezwaar tegen de weigering een beschikking te nemen. Het Gerecht heeft dat ten onrechte wel aanwezig geacht. De in beroep bestreden uitspraak moet daarom worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, appellant niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar.
3. Beslissing
De Raad van Beroep:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.
Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en A.R. Ramirez en mr. J.P. de Haan, leden, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.