Uitspraak
zitting houdende op Curaçao,
gemachtigde [A],
1.Het procesverloop
2.De tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil
De standpunten van partijen
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende kreeg aanslagen grondbelasting opgelegd voor de jaren 2002 tot en met 2007 voor een perceel grond zonder opstallen, bestemd als conserveringsgebied volgens het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao. De Inspecteur stelde de waarde voor 2002 vast op Naf 75.000.
Belanghebbende kwam in beroep tegen het uitblijven van tijdige uitspraak op bezwaar en betwistte de heffingsgrondslag, stellende dat de waarde op 50% van Naf 75.000, dus Naf 37.500, moet worden vastgesteld. Tijdens de procedure verlaagde de Inspecteur de aanslagen tot deze door belanghebbende voorgestane grondslag.
De Raad stelde vast dat artikel 5A van de Grondbelastingverordening 1908 bepaalt dat de belastbare waarde van terreinen in conserveringsgebied op de helft van de waarde bij inwerkingtreding van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan moet worden gesteld. Partijen waren het eens over de juiste waarde van Naf 37.500. Omdat de Inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar had gedaan, verklaarde de Raad het beroep gegrond en handhaafde de aanslagen conform de verminderingsbeschikkingen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslagen worden gehandhaafd op 50% van de oorspronkelijke waarde.