Uitspraak
zitting houdende in Aruba,
gemachtigde [A],
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende is navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2004 tot en met 2007 wegens het niet aangeven van inkomen uit overige werkzaamheden naast haar loon uit dienstbetrekking. Tevens is een vergrijpboete van 50% opgelegd. Belanghebbende kwam tijdig in bezwaar en beroep tegen deze aanslagen.
Tijdens de procedure stelde belanghebbende dat zij geen ander inkomen had genoten dan haar loon en dat de ontvangen gelden waren afgedragen aan een overleden derde. De Inspecteur stelde dat de ontvangen bedragen terecht als inkomen waren aangemerkt, onderbouwd met bankgegevens en uitgavenpatroon van belanghebbende.
De Raad stelde vast dat belanghebbende aanzienlijke bedragen op haar bankrekeningen en creditcard had gestort, waarvan de herkomst en besteding niet aannemelijk waren gemaakt. De Raad oordeelde dat de Inspecteur zijn bewijslast had voldaan en dat belanghebbende geen bewijs had geleverd voor haar stellingen.
De vergrijpboete werd bevestigd omdat belanghebbende willens en wetens haar inkomsten niet had aangegeven. De Raad verwierp het verweer dat sprake zou zijn van dubbele bestraffing en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslagen en vergrijpboete wordt ongegrond verklaard.