ECLI:NL:ORBBACM:2011:9

Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 september 2011
Publicatiedatum
12 september 2019
Zaaknummer
2010/0244
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijheid van belastingheffing op dividenduitkeringen binnen Nederlandse Antillen en Aruba

Belanghebbende, een Arubaanse vennootschap, betaalde dividendbelasting over een interim-dividend uitgekeerd aan een Curaçaose holding. Zij maakte bezwaar tegen deze heffing, stellende dat de Ronde Tafel Conferentie van 1983 een vrij verkeer van kapitaal tussen de eilanden garandeert, waardoor Aruba geen dividendbelasting mag heffen op winstuitkeringen aan Curaçaose entiteiten.

De Inspecteur stelde dat de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba het kapitaalverkeer tussen Curaçao en Aruba als verkeer van buitenlands kapitaal beschouwt, waardoor Aruba beleidsvrijheid heeft om belasting te heffen. De Raad stelde vast dat de partijen tijdens de Conferentie weliswaar vrij verkeer van kapitaal overeenkwamen, maar dit niet betekent dat een partij haar belastingbevoegdheid op niet-discriminerende wijze niet mag uitoefenen.

De Raad concludeerde dat Aruba bevoegd is dividendbelasting te heffen over winstuitkeringen aan een Curaçaose vennootschap, en dat de Samenwerkingsregeling dit bevestigt. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de dividendbelastingheffing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beschikking d.d. 14 september 2011, nr.2010/0244
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Aruba,
inzake: [belanghebbende],
tegen
[de Inspecteur].

Het procesverloop

1.1
Belanghebbende heeft op aangifte op 11 juli 2008 Afl. 75 dividendbelasting afgedragen.
1.2
Op 18 juli 2008 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de op aangifte afgedragen dividendbelasting.
1.3
De Inspecteur heeft geen uitspraak op het bezwaar gedaan.
1.4
Belanghebbende is in beroep gekomen bij de Raad tegen een fictieve afwijzing van het bezwaar. Het beroepschrift is ingekomen bij de Raad op 12 november 2009 en is derhalve tijdig ingediend.
1.5
De Inspecteur heeft een vertoogschrift ("uitspraak op bezwaar") ingediend.
1.6
Ter zitting van 5 november 2010, gehouden te Oranjestad, zijn verschenen [A] namens belanghebbende en [B] als Inspecteur.
1.7
Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Tussen partijen vaststaande feiten

2.1
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de andere niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten komen vast te staan.
2.2
Belanghebbende is een vennootschap opgericht naar het recht van Aruba en aldaar gevestigd.
2.3
Op 10 juli 2008 heeft belanghebbende over het boekjaar 2007 een interim-dividend groot Afl. 1000 uitgekeerd aan haar aandeelhoudster [Holding N.V.] (hierna: holding), welke vennootschap is opgericht naar het recht van de voormalige Nederlandse Antillen en gevestigd is te Curaçao. Holding is daar onderworpen aan een offshore tarief van 2,4-3%.
2.4
Over het interim-dividend heeft belanghebbende Afl. 75 aan dividendbelasting ingehouden en vervolgens op aangifte betaald.

Geschil en standpunten van partijen

3.1.1 Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of uit het verhandelde tijdens de Ronde Tafel Conferentie (hierna: de Conferentie) van maart 1983, gehouden te Den Haag, waarbij partij waren de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland, voortvloeit dat het Aruba niet vrijstaat dividendbelasting te heffen ten laste van een Curaçaose vennootschap.
3.1.2 Belanghebbende beantwoordt voormelde vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.2.1 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat tijdens de Conferentie is afgesproken dat er sprake zal zijn van vrij onderling verkeer van diensten, kapitaal en beroepspersonen ( punt 5 van conclusie 26). Op deze afspraak zijn de betrokken partijen nimmer teruggekomen. Ook de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba (AB 1985,28; PB 1985, 88) maakte geen einde daaraan.
Nu dividenduitkeringen moeten worden aangemerkt als kapitaalverkeer betekent een verplichting tot inhouding van dividendbelasting op een dividend als het onderhavige een schending van de tijdens de Conferentie gemaakte afspraak.
3.2.2 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit de toelichting op de Samenwerkingsregeling onder C ("Het kapitaalverkeer") volgt dat het kapitaal verkeer tussen Curaçao en Aruba als verkeer van buitenlands kapitaal zal worden beschouwd en als zodanig aan dezelfde voorwaarden onderworpen zal zijn als kapitaalverkeer met derde landen. De Samenwerkingsregeling erkent daarom in deze materie beleidsvrijheid voor de landen.

Conclusies van partijen

4.1
Belanghebbende concludeert tot teruggaaf van de op aangifte afgedragen dividendbelasting.
4.2
De Inspecteur concludeert tot verwerping van het beroep.

Beoordeling van het geschil

5.1
Zoals belanghebbende terecht stelt zijn de partijen bij de Conferentie daar overeengekomen dat tussen hen sprake zal zijn van vrij onderling verkeer van diensten, kapitaal en beroepspersonen. Aan deze vrijheid is, zoals belanghebbende eveneens terecht stelt, niet getornd bij de totstandkoming van de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba.
5.2
Anders dan belanghebbende betoogt vloeit uit een en ander echter niet voort dat het een partij bij de Conferentie niet vrij zou staan haar bevoegdheid tot het heffen van belastingen op niet discriminatoire wijze uit te strekken tot voordelen uit kapitaal die binnen haar grondgebied door een inwoner van een andere bij de Conferentie betrokken partij zijn behaald.
5.3
In het licht van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat punt 5 van conclusie 26 van de Conferentie niet verhindert dat een van de partijen een belasting heft over een uitkering van winst, welke is behaald op haar grondgebied, aan een onderdaan van een andere partij bij de Conferentie. De Samenwerkingsregeling onder C "Het kapitaalverkeer", als hiervoor aangehaald, is een bevestiging voor dit oordeel.
5.6
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is en beslist dient worden als volgt.

Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mrs. M.T. Boerlage, Th. Groeneveld en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

Rechtsgebied: Belastingrecht