Uitspraak
zitting houdende op Curaçao,
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting voor de invoer van plaatstaal en conserveringsmiddelen ten behoeve van de bouw van stalen waterreservoirs. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende bezwaar en beroep instelde.
De kern van het geschil betrof de vraag of het ingevoerde plaatstaal bestemd was voor gebruik in een bedrijf dat een industrie uitoefent, zoals vereist voor de vrijstelling op grond van artikel 75, eerste lid, onderdeel s van de Landsverordening tarief van invoerrechten (LVTI). De Raad stelde vast dat het plaatstaal als halffabricaat wordt beschouwd, maar dat belanghebbende als aannemer het staal verwerkt in opdracht voor een project, namelijk de bouw van waterreservoirs.
De Raad oordeelde dat het bewerken van het plaatstaal door belanghebbende niet leidt tot het voortbrengen van een verhandelbaar handelsproduct, maar slechts tot een werk in opdracht. Het gebruik door de opdrachtgever van de reservoirs in de warenproductie maakt deze producten niet tot handelsproducten in de zin van de vrijstelling. Daarom is de vrijstelling niet van toepassing en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.