ECLI:NL:ORBBACM:2014:18

Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
24 maart 2014
Publicatiedatum
25 augustus 2014
Zaaknummer
2013- 63640, 63641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4 Beschikking ex-patriates 1998
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek onderwijskosten ex-patriate zonder vergoeding werkgever

Belanghebbende, een ex-patriate, maakte in 2009 en 2010 kosten voor het onderwijs van haar twee kinderen, die niet door haar werkgever werden vergoed. Zij vorderde aftrek van deze kosten op haar inkomstenbelastingaanslagen over deze jaren. De Inspecteur handhaafde de aanslagen en wees de aftrek af omdat de kosten niet onbelast door de werkgever waren vergoed.

De Raad van Beroep stelt vast dat de ex-patriatesregeling op verzoek van werkgever en werknemer geldt voor werknemers die voorafgaand aan hun tewerkstelling ten minste vijf jaar in het buitenland hebben gewoond. Artikel 4 van Pro de regeling bepaalt dat bepaalde vergoedingen, waaronder schoolkosten tot een maximum, onbelast mogen worden vergoed door de werkgever. Dit is bedoeld om het aantrekken van deskundige werknemers te vergemakkelijken.

De Raad overweegt dat het uitgangspunt van de regeling is dat kosten die door de werkgever worden vergoed, geacht worden verband te houden met de dienstbetrekking. Dit uitgangspunt vervalt wanneer geen vergoeding plaatsvindt. De fiscale tegemoetkoming is dan ook beperkt tot situaties waarin de werkgever de kosten daadwerkelijk vergoedt. Het gelijkheidsbeginsel biedt geen grond voor aftrek wanneer geen vergoeding is ontvangen.

De beroepen worden ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Uitkomst: De beroepen van belanghebbende worden ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 maart 2014, nrs. 2013- 63640, 63641
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Sint Maarten
inzake:
Xte Sint Maarten, belanghebbende,
gemachtigde mr. A
tegen
de Inspecteur der Belastingen.

1.Het procesverloop

1.1
Aan belanghebbende zijn aanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2009 en 2010 met dagtekening 30 november 2011 respectievelijk 28 september 2012.
1.2
Belanghebbende is op 13 december 2011 respectievelijk 26 november 2012 in bezwaar gekomen tegen de aanslagen. De Inspecteur heeft bij uitspraken van 10 mei 2013 de aanslagen gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is op 28 juni 2013 tijdig in beroep gekomen tegen deze uitspraken op bezwaar.
1.4
De Inspecteur heeft vertoogschriften ingediend.
1.5
Ter zitting van 31 oktober 2013 te Philipsburg zijn verschenen namens belanghebbende mr. A en mr. B en namens de Inspecteur mr. C en D.
1.6
Namens belanghebbende is een pleitnota overgelegd.

2.De tussen partijen vaststaande feiten

2.1
Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.
2.2
Belanghebbende is aangemerkt als ex-patriate in de zin van de Beschikking ex-patriates 1998 (PB 1998-228, verder: de Beschikking).
2.3
Belanghebbende heeft in 2009 en 2010 jaarlijks NAf. 20.000 kosten gemaakt voor onderwijs van haar twee kinderen die de lagere school bezochten. De werkgever heeft deze kosten niet vergoed.

3.Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op aftrek van de kosten van onderwijs.

4.De standpunten van partijen

4.1
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.
4.2
Belanghebbende meent dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op aftrek van de onderwijskosten van haar kinderen, nu die kosten op grond van het bepaalde in artikel 4 van Pro de Beschikking door de werkgever onbelast vergoed hadden mogen worden.
4.3
De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek nu de Beschikking daar geen basis voor biedt.

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
De ex-patriatesregeling is op schriftelijk verzoek van werkgever en werknemer van toepassing op de werknemer de werknemer die direct voorafgaand aan zijn tewerkstelling in de Nederlandse Antillen gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaar in het buitenland heeft gewoond.. Artikel 4 van Pro de Beschikking noemt een aantal soorten vergoedingen die niet tot het loon van de ex-patriate worden gerekend indien zij in verband met de dienstbetrekking zijn genoten. Eén daarvan is de vergoeding ter dekking van kosten gemaakt ten behoeve van het bezoeken van scholen tot een maximum van NAf. 25.000 per kind per jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat een door de werkgever verstrekte vergoeding voor de door belanghebbende gemaakte onderwijskosten onbelast zou zijn geweest.
5.2.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 september 2006, nr. 2004/0766 (ECLI:NL:ORBBNAA:2006:BQ9539
)heeft de minister met de Beschikking beoogd het aantrekken van bepaalde deskundige werknemers voor de Antilliaanse arbeidsmarkt te vergemakkelijken; een onderdeel van het voor dit doel gecreëerde pakket maatregelen is het tot een bepaald bedrag voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting vrijstellen van de door de werkgever aan de werknemer betaalde bedragen ten behoeve van het volgen van onderwijs door de kinderen van de desbetreffende werknemer. Met deze regeling is een oplossing gevonden voor het probleem dat vanuit het buitenland aan te trekken werknemers (tijdelijk) veelal hogere kosten voor het onderwijs van hun kinderen maken dan niet vanuit het buitenland aangetrokken werknemers. Voor het uit deze regeling voortvloeiende verschil in behandeling van buitenlands en binnenlands geworven werknemers bestaat er naar het oordeel van de Raad een objectieve en redelijke rechtvaardiging.
5.3.
In artikel 4 van Pro de Beschikking is forfaitair bepaald dat bepaalde kosten door de werkgever onbelast mogen worden vergoed, tot de daarin vastgestelde maxima. Blijkbaar is daarbij het uitgangspunt geweest dat bij vergoeding van die kosten door de werkgever in het algemeen aangenomen kan worden dat die kosten verband houden met de dienstbetrekking. Dat acht de Raad een redelijk uitgangspunt. Zoals de Raad in voormelde uitspraak van 5 september 2006 heeft overwogen, voert de symmetrie tussen inkomstenbelasting en loonbelasting niet zover, dat in alle situaties het voor de loonbelasting belastingvrij kunnen vergoeden van onkosten betekent dat dergelijke kosten ook tot de aftrekbare kosten voor de inkomstenbelasting behoren.
5.4.
Nu belanghebbende geen vergoeding ontvangt voor de onderhavige onderwijskosten, vervalt het voor de ex-patriatesregeling geldende uitgangspunt dat de kosten geacht worden te zijn gemaakt in verband met de dienstbetrekking. Naar het oordeel van de Raad kon de minister reeds op doelmatigheidsgronden de fiscale tegemoetkoming voor de kosten van onderwijs beperken tot situaties waarin die kosten door de werkgever werden vergoed.
5.5.
Het gelijkheidsbeginsel kan er dan niet toe leiden dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de onderwijskosten. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende ook niet op grond van enige andere bepaling recht heeft op aftrek. De beroepen zijn ongegrond.
5.6.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de beroepen ongegrond zijn.

6.Beslissing

De Raad verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage (voorzitter), E.F. Faase en A. Beukers-van Dooren, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2014.