Belanghebbende, onderdeel van een concern met vier andere groepsvennootschappen, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd voor de jaren 2002-2004 en een boete. Zij verrichtte management- en administratieve werkzaamheden voor de groepsvennootschappen en bracht hiervoor geen omzetbelasting in rekening. Na bezwaar werden de naheffingsaanslagen verminderd maar de boetes gehandhaafd. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze uitspraken.
De Raad oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat belanghebbende de uitspraken op bezwaar niet had ontvangen en tijdig beroep had ingesteld na kennisname. De kern van het geschil betrof de toepassing van het leerstuk van kosten voor gemene rekening op de doorbelaste kosten aan groepsvennootschappen.
De Raad volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en stelde dat kosten voor gemene rekening alleen van toepassing zijn indien kosten voor het werkelijke bedrag volgens een tevoren vastgestelde verdeelsleutel worden omgeslagen en het risico van die kosten alle betrokken ondernemers aangaat. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat een dergelijke overeenkomst bestond. Daarom moest zij omzetbelasting in rekening brengen en afdragen over de doorbelaste kosten.
De Raad vernietigde daarom de boetebeschikkingen maar handhaafde de naheffingsaanslagen omzetbelasting. De beschikking werd in raadkamer gedaan en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.