ECLI:NL:ORBBNAA:1986:BQ8529

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
22 december 1986
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1986-033 (zaak no. 54/86)
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H. Warnink
  • A.P.M. Houtman
  • W.B. de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16A L.I.B.Art. 23A lid 1 L.I.B.Art. 16A lid 3 L.I.B.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrek buitengewone lasten voor studiekosten kind met studiebeurs

Belanghebbende, gehuwd met twee kinderen, voerde studiekosten van zijn dochter N op als buitengewone lasten in zijn belastingaangifte 1982. De dochter studeerde met een studiebeurs aan de University of Florida. De Inspecteur weigerde aftrek omdat N een studiebeurs ontving en omdat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor kinderaftrek.

De Raad stelt vast dat indien geen kinderaftrek mogelijk is, aftrek van buitengewone lasten op grond van artikel 16A L.I.B. mogelijk is, mits de lasten betrekking hebben op noodzakelijk levensonderhoud. Dit begrip omvat ook kosten die nodig zijn om via onderwijs een passende maatschappelijke plaats te verkrijgen.

De Raad accepteert niet alle opgevoerde kosten. Kosten voor de koop van een appartement worden niet als buitengewone lasten erkend, wel huurkosten voor zeven maanden en utiliteitskosten. Telexkosten worden afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden; telefoonkosten worden beperkt tot een redelijk bedrag. Reiskosten worden beperkt tot één retourreis. De ontvangen studiebeurs wordt volledig in mindering gebracht. Na correcties resteert een aftrekbaar bedrag van NAf 8.723,95 verminderd met 5% van het inkomen volgens artikel 16A lid 3 L.I.B.

Uitkomst: Aftrek van buitengewone lasten voor studiekosten wordt deels toegewezen met beperkingen en vermindering met studiebeurs en een percentage van het inkomen.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP
22 december 1986
1986-033 (zaak no. 54/86)
Gezien het bij de Raad op 27 mei 1986 ingekomen beroepschrift van A, gemachtigde P, waarbij belanghebbende in beroep komt tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 1982, artikel <>, gedagtekend 16 september 1985 en verzonden op 8 april 1986.
Gezien voorts het bij de Raad op 7 juli 1986 ingekomen vertoogschrift van de Inspecteur te Aruba en het daarop door belanghebbende op 16 oktober 1986 ingediende verweerschrift, alsmede de reactie daarop van de Inspecteur van 21 november 1986.
Overwegende:
Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.
Tussen partijen staat het volgende vast:
Belanghebbende is gehuwd en heeft twee kinderen, t.w. N en C.
N studeerde in 1982, met een studiebeurs van het eilandgebied Aruba, aan de University of Florida te Gainesville, Florida.
Belanghebbende heeft als buitengewone lasten opgegeven de kosten van levensonderhoud van N, welke als volgt gespecificeerd zijn:
tabel
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de definitieve aanslag vastgesteld dat belanghebbende niet aanmerking kan komen voor aftrek van buitengewone lasten ten behoeve van zijn dochter N, aangezien N met een studiebeurs studeert.
Voorts is vast komen te staan dat belanghebbende, althans in het jaar 1982, niet in aanmerking kwam voor kinderaftrek ingevolge artikel 23A lid 1 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (L.I.B.), omdat hij tengevolge van het verkrijgen van een studiebeurs voor zijn dochter N deze niet geheel of nagenoeg geheel op zijn kosten onderhield.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij, nu hij geen kinderaftrek ontvangt, wel in aanmerking komt voor aftrek van buitengewone lasten op grond van artikel 16A, lid 1 a LIB.
De Inspecteur daarentegen is van mening dat de tekst en strekking van artikel 16A L.I.B. geen mogelijkheden biedt voor een ruime interpretatie van het begrip buitengewone lasten, zoals die door belanghebbende wordt gegeven. Volgens de Inspecteur wordt onder “noodzakelijk levensonderhoud” slechts verstaan hetgeen nodig is ter voorziening in de eerste levensbehoeften van de ondersteunde, terwijl daar in het onderhavige geval geen sprake van is.
De Raad is van oordeel dat het standpunt van de Inspecteur niet juist is. Blijkens artikel 16A L.I.B. komt een belastingplichtige slechts voor aftrek wegens buitengewone lasten terzake van uitgaven ten behoeve van zijn kinderen in aanmerking, als hij ten behoeve van die kinderen ingevolge artikel 23A L.I.B. geen aanspraak kan maken op kinderaftrek.
Nu het laatste het geval is, dient te worden bezien of de door belanghebbende opgevoerde buitengewone lasten vallen onder noodzakelijk levensonderhoud. Deze vraag dient bevestigend beantwoord te worden.
Onder het begrip noodzakelijk levensonderhoud dient mede te worden verstaan datgene wat nodig is om degene die een uitkering ontvangt in staat te stellen door onderwijs en studie in een situatie te komen dat hij een passende plaats in de samenleving kan innemen. Daaronder vallen in principe buitengewone lasten zoals die door belanghebbende zijn opgegeven.
Het bovenstaande betekent echter niet dat de Raad alle door belanghebbende opgevoerde posten zal honoreren.
De Raad zal hieronder aangeven welke kosten niet dan wel niet geheel in aanmerking komen voor de aftrek wegens buitengewone lasten:
Huisvestingskosten:
Niet onder buitengewone lasten vallen de kosten door belanghebbende gemaakt terzake van de koop van een appartement ten hoeve van N in zoverre belanghebbende die opvoert als kosten voor de aflossing van dit appartement ad USD 394 per maand. Wel komen in aanmerking de kosten terzake van huur, zoals deze over de eerste zeven maanden van 1982 zijn opgevoerd. ten .bedrage van USD 300 per maand. Voor huisvesting kunnen derhalve slechts USD 2.100 in aanmerking komen, te vermeerderen met USD 660,60 aan utiliteitskosten.
<u>Telex- en telefoonkosten:</u>
Door belanghebbende wordt opgegeven een bedrag van NAf 3.958,48. In dit bedrag is opgenomen een bedrag van NAf 469,80 aan telexkosten. De Raad vermag niet in te zien dat ouders en kinderen via het telexverkeer behoeven te communiceren, bijzondere omstandigheden daargelaten. Nu deze echter niet door belanghebbende gesteld zijn, komen deze kosten te vervallen.
De telefoonkosten acht de Raad exorbitant hoog, nog daargelaten dat belanghebbende slechts enkele telefoonnota’s overlegt en niet het gehele bedrag specificeert.
Redelijk is dat kinderen, die in het buitenland studeren, regelmatig met hun ouders telefoneren. Uitgaande van gesprekskosten tussen Aruba en Florida van NAf 2,- per minuut in de avonduren, komt het de Raad billijk voor dat als aftrekbare kosten opgevoerd mogen worden een jaarlijks bedrag van NAf 300,-.
Bovengenoemde post zal dan ook in haar geheel teruggebracht worden tot NAf 300,-.
<u>Reiskosten:</u>
Belanghebbende voert op twee retourreizen Aruba-U.S.A. ad NAf 1.772,-.
De Raad acht evenwel slechts één retourreis aftrekbaar, zodat bovengemeld bedrag verminderd zal worden tot NAf 886,-.
<u>Studiebeurs:</u>
Belanghebbende heeft een beursuitkering in het begin van het studiejaar 1982/1983 en wel op 20 oktober 1982 ontvangen ten bedrage van NAf 10.914,30. Belanghebbende trekt de helft af ad NAf 5.57,15. Nu is komen vast te staan dat belanghebbende het gehele bedrag van NAf 10.914,30 in 1982 ontvangen heeft, zal dit bedrag dan ook in zijn geheel in mindering gebracht moeten worden.
Resumerend komt de Raad op een bedrag van NAf 19.638,25, verminderd met NAf 10.914,33, op een totaal van NAf 8.723,95, voort nog te verminderen met het percentage, zoals dat genoemd wordt in artikel 16A lid 3 L.I.B..
Beschikkende:
Stelt de aftrek wegens buitengewone lasten vast op NAf 8.723,95 te verminderen met 5% van het inkomen van belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 16A lid 3 L.I.B..
Verwerpt het beroep voor het overige.
mrs. H. Warnink, A.P.M. Houtman en W.B. de Jong