ECLI:NL:ORBBNAA:1988:BQ8622
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.P.M. Houtman
- W.B. de Jong
- T.J.M. Kolfschoten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kinderaftrek en buitengewone lasten bij studerende kinderen in het buitenland
In deze zaak stond de vraag centraal of belastingplichtige B aanspraak kon maken op kinderaftrek voor zijn in de Verenigde Staten studerende zoon A, die een deel van zijn onderhoudskosten zelf verdiende. De Inspecteur stelde dat B zijn zoon nagenoeg geheel had onderhouden en daarmee recht had op kinderaftrek, terwijl B betoogde dat door de bijverdiensten van A de onderhoudslasten voor hem lager waren en hij daarom geen aanspraak op kinderaftrek kon maken, maar wel de uitgaven als buitengewone lasten kon aftrekken.
De Raad onderschreef het imperatieve karakter van de kinderaftrek en bevestigde dat afstand daarvan niet mogelijk is, ook niet bij fiscale nadelen. Tegelijkertijd erkende de Raad dat de in de wet opgenomen vaste kindaftreksom voor in het buitenland studerende kinderen niet meer aansluit bij de werkelijkheid en tot onbillijkheden leidt. Daarom stelde de Raad een richtlijn vast waarbij de belastingplichtige ten minste 90% van de kosten moet dragen, met een maximum van 1.000 gulden aan bespaarde kosten door bijverdiensten van het kind.
Toegepast op de zaak concludeerde de Raad dat B door de bijverdiensten van A ten minste 1.000 gulden aan onderhoudskosten bespaarde, waardoor A niet nagenoeg geheel door B werd onderhouden. Hierdoor kon B geen kinderaftrek claimen, maar wel de kosten van levensonderhoud als buitengewone lasten in aftrek brengen. De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd.
Het vonnis benadrukt de noodzaak om misbruik en constructies te voorkomen en een evenwicht te vinden tussen fiscale regelgeving en de werkelijke lasten van ouders die hun kinderen in het buitenland studeren laten. De uitspraak geeft daarmee een belangrijke richtlijn voor de toepassing van kindaftrek bij buitenlandse studiekosten.
Uitkomst: De aanslag werd verminderd omdat de belastingplichtige geen recht had op kinderaftrek maar wel de kosten als buitengewone lasten mocht aftrekken.