ECLI:NL:ORBBNAA:1995:BU5470

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
31 januari 1995
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1995-029
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H. Warnink
  • J.K. Moltmaker
  • Th. Groeneveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 LIBArt. 47 LIBArt. 5 lid 4 LIB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding termijn belastingaanslag 1986

Belanghebbende is voor het belastingjaar 1986 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Tegen deze aanslag werd een bezwaarschrift ingediend, dat echter met bijna zeven maanden te laat bij de Inspectie werd ontvangen. De Inspecteur handhaafde de aanslag bij beschikking van november 1993. Belanghebbende kwam vervolgens in beroep bij de Raad, maar ook dit beroepschrift werd na de wettelijke termijn ingediend.

De Raad oordeelt dat de overschrijding van de beroepstermijn redelijkerwijs niet aan belanghebbende kan worden toegerekend, mede omdat de beschikking op het bezwaarschrift niet met redenen was omkleed en belanghebbende de Nederlandse taal niet machtig was. Daarom wordt het beroep ontvankelijk verklaard.

Echter, de overschrijding van de bezwaartermijn is van openbare orde en belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in staat was de termijn na dagtekening van de aanslag in acht te nemen. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het gerechtvaardigd vertrouwen dat door het uitblijven van een niet-ontvankelijkheidsverklaring van de Inspecteur zou zijn gewekt, kan niet worden aangenomen.

De Raad vernietigt de beschikking van de Inspecteur en verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 1986.

Uitkomst: Belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

Beschikking van 31 januari 1995, nr. 1995-029
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Curacao,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Het procesverloop:
1.1. Aan X is voor het jaar 1986 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 25.964,.
1.2. X heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Dat bezwaarschrift is op 9 maart 1989 ter Inspectie ontvangen.
1.3. Bij beschikking d.d. 19 november 1993 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.
1.4. Bij op 11 februari 1994 bij de Raad ingekomen beroepsschrift is X van deze beschikking in beroep gekomen.
1.5. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en X een verweerschrift; daarna is de zaak behandeld ter zitting van de Raad d.d. 27 september 1994, alwaar de gemachtigde van X en de Inspecteur zijn verschenen en hun standpunten uiteen hebben gezet. De gemachtigde heeft een pleitnota over gelegd.
2. De ontvankelijkheid van het beroep:
X kan in haar beroep worden ontvangen. Weliswaar is het beroepsschrift niet binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking op het bezwaarschrift ingediend, maar de Raad is van oordeel dat de tamelijk geringe termijnoverschrijding, waarvan hier sprake is, X redelijkerwijze niet valt toe te rekenen. De Raad neemt hierbij in aanmerking, dat de beschikking op het bezwaarschrift niet met redenen is omkleed en dat het X, die - naar zij onweersproken heeft aangevoerd - de Nederlandse taal niet meester is, enige tijd heeft gekost om de strekking en achtergrond van die beschikking te begrijpen. De Raad oordeelt dat zij het beroepsschrift heeft ingediend binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop zij redelijkerwijze wèl tot zodanig begrijpen van de beschikking in staat kon worden geacht.
3. De verdere beoordeling van het geschil:
3.1. De termijn, waarbinnen X haar bezwaarschrift bij de Inspectie moest indienen, heeft zij ruimschoots, namelijk met bijna 7 maanden, overschreden. De Raad heeft ambtshalve op deze termijnoverschrijding acht te slaan. De termijn is immers van openbare orde. Anders dan met betrekking tot het instellen van het beroep het geval is, heeft X niet aangevoerd dat zij redelijkerwijze niet in staat was de wettelijke termijn van twee maanden na de dagtekening van de aanslag, in acht te nemen. De Raad acht de overschrijding dan ook ontoelaatbaar.
3.2. X heeft nog aangevoerd, dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dat zij wèl ontvankelijk is in haar bezwaar, omdat de Inspecteur (inhoudelijk) op haar bezwaar heeft beschikt. De Inspecteur had inderdaad X in haar bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren; door dat na te laten kan bij X evenwel niet het gerechtvaardigd vertrouwen zijn gewekt dat ook de Raad op bedoelde termijnoverschrijding geen acht zou slaan.
3.3. De Raad zal dus doen wat de Inspecteur had moeten doen en met vernietiging van diens beslissing X alsnog in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
4. De beslissing:
De Raad vernietigt de beschikking waarvan beroep en verklaart X alsnog in haar bezwaar tegen genoemde aanslag niet ontvankelijk.
mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en Th. Groeneveld