ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5478

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
15 september 1997
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1997-075
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 11 Landsverordening vrije zonesArtikel 6 lid 3 en 4 Landsverordening vrije zonesArtikel 1108
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingheffing over rentebaten binnen vrije zones volgens Landsverordening

Appellante kreeg een aanslag winstbelasting 1992 opgelegd met een belastbaar bedrag van Af. 11.770.700,--. De kern van het geschil betrof de vraag of de ontvangen interest van Af. 317.273,-- onder het bijzondere tarief van 2% viel, bedoeld in artikel 11 van Pro de Landsverordening vrije zones, of onder het normale tarief van 33% plus 15% opcenten.

De Inspecteur stelde dat het bijzondere tarief alleen geldt voor leveringen aan niet-Arubaanse ingezetenen en dat rentebaten niet als zodanig kunnen worden beschouwd. Appellante betoogde dat de wetstekst en toelichting geen uitsluitsel geven dat interest buiten het bijzondere tarief valt en dat de rentebaten het resultaat zijn van winstreserves die met 2% zijn belast.

De Raad oordeelde dat de tekst van artikel 11 en Pro artikel 6 van Pro de Landsverordening vrije zones geen ruimte laat voor de opvatting dat rentebaten onder de uitzondering van levering naar het binnenland vallen. Daarom is de aanslag verminderd tot een belastingbedrag van Af. 263.533,-- inclusief opcenten.

De uitspraak bevestigt dat rentebaten niet automatisch onder het bijzondere tarief vallen en verduidelijkt de toepassing van de belastingregels binnen vrije zones op Aruba.

Uitkomst: De aanslag winstbelasting 1992 is verminderd tot Af. 263.533,-- inclusief opcenten.

Uitspraak

Beschikking van 15 september 1997, nr. 1995-075
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Loop van het geding
1.1. Aan appellante is een aanslag winstbelasting 1992 opgelegd d.d. 16 januari 1995, art. 1108, naar een belastbaar bedrag van Af. 11.770.700,-- waarover aan belasting inclusief opcenten is geheven Af. 377.596,25.
1.2. Bij beschikking d.d. 31 juli 1995, nr. A-95/166, heeft de Inspecteur het door appellante tegen deze aanslag ingediende bezwaarschrift afgewezen.
1.3. Appellante is tegen deze beschikking in beroep gekomen bij beroepschrift bij de Raad ingekomen op 7 augustus 1995, mitsdien tijdig. Het beroepschrift is nader gemotiveerd bij brief van 5 december 1995, bij de Raad ingekomen op 13 december 1995. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, waarop appellante heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 25 april 1997. Verschenen zijn de gemachtigde van appellante, vergezeld van A, alsmede de Inspecteur, vertegenwoordigd door B, vergezeld van C. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij de Inspecteur een pleitnota heeft overgelegd.
Vaststaande feiten
2.1. Appellante werd opgericht bij akte van 26 september 1988. Bij beschikking van 22 maart 1989, no. 6726, besloot de minister van Economische Zaken appellante, gelet
op artikel 3, lid 1, van de Landsverordening vrije zones, toe te laten tot de vrije zone,
onder bepaling dat appellante haar bedrijf uitsluitend in de vrije zone zal uitoefenen en handel zal drijven in: sigaretten, tabakswaren, niet-, zwak- en sterk alcoholhoudende dranken, wijnen, champagne, chocolade, kaas, speelkaarten, vogelvoer en batterijen.
2.2. Bij beschikking, eveneens van 22 maart 1989, no. 6726-A, verleende de minister van Economische Zaken aan appellante vergunning voor de levering van goederen naar het binnenland voor de duur van een jaar, onder bepaling dat die levering maximaal 25% van de totale jaaromzet van appellante mag bedragen.
2.3. Bij beschikking van 23 maart 1989, no. 11/89, verleende de Directeur der Belastingen aan appellante onder bepaalde voorwaarden voor onbepaalde tijd toestemming voor de aanvoer van aan accijns onderworpen goederen in een vrije zone, zonder dat accijns verschuldigd is.
2.4. Uit de bij de aangifte winstbelasting 1992 overgelegde jaarstukken blijkt, dat appellante in 1992 een netto-winst vóór belastingen heeft gemaakt van Af. 11.770.815, waaronder begrepen een bedrag van Af. 317.273,-- aan intrest en een bedrag van Af. 78.266,08 aan met het gewone tarief te belasten lokale winst.
3. Geschil
In geschil is de vraag of de interest is onderworpen aan het bijzondere tarief van 2% (inclusief opcenten) bedoeld in artikel 11 van Pro de Landsverordening vrije zones, dan wel aan het normale tarief van 33%, te vermeerderen met 15% opcenten.
4. Standpunten van partijen
4.1. Appellante is van mening dat ingevolge artikel 11 van Pro de Landsverordening vrije zones de winst van een tot de vrije zone toegelaten rechtspersoon belast wordt met 2%, uitgezonderd de winst die behaald is met levering naar het binnenland in de zin van dat artikel. Voor de vraag wat “levering naar het binnenland” zijn, geeft noch artikel 11 zelf Pro noch de Memorie van Toelichting op artikel 6, derde en vierde lid, van de Landsverordening, waarnaar artikel 11 verwijst Pro, enig uitsluitsel. Ook in de literatuur is geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt, dat interest buiten het bijzondere tarief van 2% zou vallen. De interest is het resultaat van het beleggen van winstreserves die in hoofdzaak zijn gevormd uit winst die met 2% is belast geworden.
4.2. Volgens appellante moet de belasting derhalve als volgt worden berekend:
Af. 78.266,-- à 33% 25.827,78
Waarover 15% opcenten 3.874,17
Af. 11.692.549 à 2% (inclusief opcenten) = 233.850,98
Totaal Af.263.553
4.3. De Inspecteur betoogt, dat het bijzondere tarief van 2% naar doel en strekking daarvan slechts geldt voor de in de beschikking van 22 maart 1989 limitatief opgesomde leveringen aan niet-Arubaanse ingezetenen, waarvoor de vergunning is afgegeven. Ter uitvoering de binnenlandse leveringen heeft appellante een dochtermaatschappij opgericht. De dochtermaatschappij wordt gefinancierd uit de winstreserves van appellante. Van de in 1992 ontvangen interest van Af. 317.273,-- is een gedeelte groot Af. 116.522,-- afkomstig van de dochtermaatschappij. De rentebaten zijn derhalve niet afkomstig uit levering van goederen aan niet Arubaanse ingezetenen. Het rendabel maken van opgepotte winst is geen levering vanuit de vrije zone en niet in overeenstemming met het door de Landsverordening beoogde doel.
4.4. De Inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt, dat niet duidelijk is in hoeverre de reserves zijn gevormd uit winst, die is gevormd door leveringen aan niet-Arubaanse ingezetenen en uit winst die is gevormd uit leveringen aan Arubaanse ingezetenen. Daarom moet schattenderwijs 75% van de interest belast worden naar het tarief van 2% en 25% naar het gewone tarief.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Naar de tekst van artikel 11 in Pro verbinding met artikel 6, derde en vierde lid, van de Landsverordening vrije zones wordt de winst van een toegelaten vennootschap belast met een tarief van 2%, uitgezonderd de winst verkregen uit levering naar het binnenland.
5.2. De formulering van deze tekst, in het bijzonder ook die van artikel 6, derde en vierde lid, van de Landsverordening vrije zones waarin slechts sprake is van de levering van goederen, laat naar het oordeel van de Raad geen ruimte voor de opvatting van de Inspecteur dat rentebaten als de onderhavige onder de van het bijzondere tarief uitgezonderde winst uit “levering naar het binnenland” kan worden begrepen. Het gelijk is derhalve aan de zijde van appellante.
6. Beslissing
De Raad vermindert de opgelegde aanslag tot een bedrag aan belasting, inclusief opcenten, van Af. 263.533,--.
mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink