Art. 1 LABBArt. 2 LABBArt. 7 LABBArt. 11, eerste lid, LABBArt. 37 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verschuldigdheid en terugvordering van ten onrechte in rekening gebrachte algemene bestedingsbelasting
Appellante, actief in de handel en fabricage van producten, bracht aan haar afnemers algemene bestedingsbelasting (ABB) in rekening over de periode juli tot en met december 1996, terwijl zij niet als fabrikant in de zin van de LABB kon worden aangemerkt. Na een boekenonderzoek bleek dat ongeveer 50% van haar omzet aan kleinverbruikers werd geleverd, waardoor zij ten onrechte ABB in rekening bracht.
Hoewel appellante van mening was dat zij deze ten onrechte in rekening gebrachte ABB niet hoefde af te dragen, deed zij uit voorzorg op 30 september 1997 aangifte en betaalde het bedrag. De Inspecteur wees het bezwaarschrift af, waarna appellante beroep instelde bij de Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat de verschuldigdheid van ABB volgens de artikelen 1 tot en met 7 LABB wordt bepaald en niet door wat aan afnemers is gefactureerd. Het niet voldoen van ten onrechte in rekening gebrachte ABB is niet in strijd met de doelstelling van de LABB. De schade door het niet voldoen komt primair voor rekening van de afnemers, die hun onverschuldigde betaling via de burgerlijke rechter kunnen terugvorderen.
De Raad wees er verder op dat de wetgever bewust heeft afgezien van een bepaling die de verplichting tot afdracht van ten onrechte in rekening gebrachte ABB regelt, zoals later wel in art. 48a LABB werd opgenomen. Tot slot verklaarde de Raad zich onbevoegd om proceskosten en rente toe te kennen en vernietigde de beschikking van de Inspecteur, waarbij het betaalde bedrag als onverschuldigd betaald moet worden teruggegeven.
Uitkomst: De Raad vernietigt de beschikking van de Inspecteur en verklaart dat het betaalde bedrag aan ABB als onverschuldigd betaald moet worden teruggegeven.
Uitspraak
Beschikking van 30 oktober 1998, nr. 1998-007.
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Curaçao,
1. Loop van het geding:
1.1 Op 30 september 1997 heeft appellante aangifte gedaan van een verschuldigd bedrag van NAƒ 42.902,- aan algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB), over de periode juli 1996 tot en met december 1996, onder gelijktijdige betaling van dat bedrag aan de ontvanger.
1.2 Op 15 oktober 1997 is ter Inspectie een bezwaarschrift ontvangen van appellante tegen het door haar op aangifte voldane bedrag. Een aanvulling van het bezwaarschrift is op 17 oktober 1997 ter Inspectie ontvangen. Bij beschikking, gedagtekend 24 november 1997, heeft de Inspecteur het bezwaarschrift afgewezen.
1.3 Bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 12 januari 1998 en mitsdien tijdig, heeft appellante beroep ingesteld tegen de beschikking van de Inspecteur op haar bezwaarschrift. De Inspecteur heeft vervolgens een vertoogschrift ingediend.
1.4 De zaak is behandeld ter zitting van de Raad te Curaçao op 22 april 1998. Verschenen zijn de Inspecteur en de gemachtigde van appellante, vergezeld van mr A. Beide partijen hebben gepleit overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota.
2. Vaststaande feiten:
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.
2.1 Appellante houdt zich bezig met de handel en levering van .....producten. Naast de handel in kant en klare producten betreffen de activiteiten het fabriceren van ..... Afnemers zijn bedrijven en kleinverbruikers.
2.2 Bij brief van 7 augustus 1996 verzocht de gemachtigde van appellante de Inspecteur zijn oordeel te geven over de verschuldigdheid van - de per 1 juli 1996 ingevoerde - ABB ter zake van de onderscheiden activiteiten van appellante.
2.3 In afwachting van het antwoord van de Inspecteur heeft appellante aan de afnemers ABB in rekening gebracht, omdat het zeer moeilijk zou zijn dit alsnog te doen als achteraf zou blijken dat de ABB verschuldigd was. Deze ABB werd door appellante vooralsnog niet op aangifte voldaan.
2.4 Bij brief van 13 juni 1997 heeft de Inspecteur een antwoord aan de gemachtigde van appellante gegeven. De brief bevat een uiteenzetting over het begrip fabrikant in de zin van de Landsverordening algemene bestedingsbelasting 1996 (hierna: LABB).
2.5 Bij een boekenonderzoek, bij appellante ingesteld in juli 1997, is gebleken, dat appellante ongeveer 50% van haar omzet behaalt met leveringen aan kleinverbruikers. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat appellante niet als fabrikant in de zin van art. 1, eerste lid, onderdeel d, LABB kan worden aangemerkt en dat zij aan haar afnemers ten onrechte ABB in rekening heeft gebracht.
2.6 Hoewel appellante van mening was, dat zij niet verplicht was deze in rekening gebrachte ABB af te dragen, heeft zij ter voorkoming van een naheffingsaanslag met boete alsnog op 30 september 1997 aangifte gedaan van de ABB over de niet belaste vergoedingen en de belasting voldaan.
3. Geschil:
In geschil is of appellant al dan niet verplicht is de door haar ten onrechte aan haar afnemers in rekening gebrachte ABB op aangifte te voldoen.
4. Standpunten van partijen:
4.1 De Inspecteur stelt, dat appellante zeker een maand na de invoering van de ABB wist of behoorde te weten dat zij niet als fabrikant kon worden aangemerkt. Hoewel pas per 1 januari 1998 een bepaling in de LABB is opgenomen, waarin de verplichting tot voldoening van ten onrechte in rekening gebrachte ABB uitdrukkelijk is geregeld (art. 48a), bestond die verplichting ook reeds vóór die datum, gelet op het systeem, het karakter en de strekking van de LABB. Een afnemer moet erop kunnen vertrouwen dat de door hem betaalde ABB niet door de leverancier in eigen zak wordt gestoken, maar door deze aan de overheid wordt afgedragen.
4.2 Appellante beroept zich op de tekst van art. 11, eerste lid, LABB, waarin wordt bepaald, dat de belastingplichtige verplicht is aangifte te doen van de belasting die hij verschuldigd is. De vraag of appellante de belasting verschuldigd is, wordt niet bepaald door de vraag wat hij in rekening heeft gebracht aan zijn afnemers, maar door de artikelen 1 tot en met 7 LABB. De belastbare feiten zijn in art. 2 LABBPro limitatief opgesomd. Dat een bepaling als art. 37 WetPro op de omzetbelasting 1968 aanvankelijk ontbrak, is zeer wel te verklaren uit het feit, dat de LABB maar zeer beperkte mogelijkheden biedt om in rekening gebrachte ABB in vooraftrek te brengen. Juist de introductie per 1 januari 1998 van art. 48a LABB houdt in, dat tot dat moment de LABB daar niet in voorzag.
5. Overwegingen met betrekking tot het geschil:
5.1 De Raad is met appellante van oordeel, dat de verschuldigdheid van de ABB als bedoeld in art. 11, eerste lid, LABB - althans tot 1 januari 1998 - niet wordt bepaald door hetgeen de belastingplichtige aan zijn afnemers in rekening heeft gebracht, maar door de artikelen 1 tot en met 7 LABB.
5.2 Het niet op aangifte voldoen van ten onrechte in rekening gebrachte ABB is naar het oordeel van de Raad ook niet in strijd met doel en strekking van de LABB. Omdat - zoals appellante terecht heeft opgemerkt - de mogelijkheid tot aftrek van voorbelasting in de LABB maar zeer beperkt is, is het niet in de eerste plaats de overheid, die schade lijdt door het niet voldoen van ten onrechte in rekening gebrachte ABB, maar de afnemers. Deze hebben evenwel in beginsel de mogelijkheid de onverschuldigd betaalde ABB via de burgerlijke rechter van appellante terug te vorderen.
5.3 De MvT op het per 1 januari 1998 ingevoerde art. 48a ABB zegt:
"in dit nieuwe artikel is een bepaling opgenomen die waarborgt dat ieder die op een factuur ABB in rekening brengt deze belasting op aangifte moet betalen."
Ook deze passage wijst bepaald niet in de richting van het standpunt van de Inspecteur.
5.4 Opmerking verdient nog, dat in het - later ingetrokken - ontwerp van de Landsverordening op de omzetbelasting 1993 was opgenomen een art. 12, tweede lid, waarin een regeling was neergelegd, die overeen kwam met art. 37 WetPro op de omzetbelasting 1968 en thans art. 48a LABB. Niettemin heeft de wetgever destijds geen vergelijkbaar voorschrift in de LABB opgenomen. Aangenomen moet worden dat zulks toen bewust is nagelaten. Dat de wetgever thans tot een ander inzicht is gekomen, kan niet aan appellante worden tegengeworpen.
5.5 Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad een proceskosten- en rentevergoeding, als door appellante verzocht, toe te kennen.
6. Beslissing:
De Raad vernietigt de beschikking van de Inspecteur op het bezwaarschrift en verklaart dat het op aangifte aan ABB voldane bedrag van NAƒ 42.902,- als onverschuldigd betaald dient te worden teruggegeven.
mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink