ECLI:NL:ORBBNAA:1999:BU5676

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
18 februari 1999
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1997-143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 LBArt. 23 LBLandsverordening op de Loonbelasting 1976
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingplicht loonbelasting en premie AOV/AWW bij overgebrachte medische opleidingen op Sint Maarten

Appellante, opgericht in 1993, verzorgde medische opleidingen die vanwege vulkanische erupties op Monserrat in oktober 1995 werden overgebracht naar Sint Maarten. In de periode tot februari 1997 werden aan administratief en lesgevend personeel beloningen verstrekt, zonder dat hierover loonbelasting en premies werden afgedragen. De inspecteur stelde een naheffingsaanslag vast op basis van een schatting, omdat appellante de benodigde bescheiden niet of onvolledig aanleverde.

Appellante voerde aan dat er tot de oprichting van X in februari 1996 geen vaste inrichting op Sint Maarten was en dat X sindsdien de verplichtingen nakomt. De inspecteur stelde dat er wel degelijk sprake was van een vaste inrichting en dat appellante als inhoudingsplichtige verantwoordelijk was. Tijdens de zitting werden standpunten en bewijsmateriaal uitgewisseld, waarbij de inspecteur aannemelijk maakte dat de schatting redelijk was.

De Raad concludeerde dat appellante belastingplichtig was en dat de inspecteur een redelijke schatting had gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard. De beslissing bevestigt dat het ontbreken van administratieve medewerking consequenties heeft en dat de inspecteur in dat geval mag schatten.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de naheffingsaanslag loonbelasting en premie AOV/AWW wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beschikking van 18 februari 1999, nr. 1997-143
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Sint Maarten,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
Procesverloop
1.1. Aan appellante is op 16 april 1997 een naheffingsaanslag premie AOV/AWW opgelegd over de periode september 1995 tot en met februari 1997 voor een bedrag van Naf. 218.777,-. Na bezwaar van appellante heeft de inspecteur bij beschikking van 30 juli 1997 de aanslag verminderd met een bedrag van Naf. 26.258,-- aan premie en een bedrag van Naf. 6.576,-- aan boete.
1.2. Tegen de beschikking van de inspecteur op het bezwaarschrift heeft appellante bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 11 september 1997, mitsdien tijdig, beroep ingesteld. Het beroepschrift is nader gemotiveerd bij brief van 27 maart 1988. Op 8 juli 1998 heeft de inspecteur een vertoogschrift ingediend.
1.3. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op Sint Maarten op 17 november 1998. Verschenen zijn de gemachtigde van appellante alsmede de inspecteur. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota, vergezeld van een aantal bijlagen. Tegen de overlegging van deze bijlagen heeft de inspecteur geen bezwaar gemaakt.
Vaststaande feiten
2.1. Appellante is op 13 december 1993 opgericht. Aandeelhouders zijn A en B voor 75% en twee van hun zoons tezamen voor 25%. Appellante is als inhoudingsplichtige/werkgever bij de inspectie bekend en door haar worden afdrachten loonbelasting en premies AOV/AWW gedaan.
2.2. Aanvankelijk werden op Monserrat medische opleidingen gegeven door C. In verband met de vulkanische erupties op Monserrat en de onzekere voorspellingen dienaangaande werden de medische opleidingen op 16 oktober 1995 overgebracht naar Sint Maarten.
2.3. Op 16 februari 1996 werd te Sint Maarten X opgericht. X was over de hier van belang zijnde periode niet als werkgeefster bij de inspectie bekend en droeg geen loonbelasting en premies AOV/AWW af.
2.4. Sinds oktober 1996 is vanwege de inspectie getracht een controle loonbelasting bij appellante te doen plaatsvinden. Door gebrek aan medewerking en het ontbreken van stukken is dat na herhaalde pogingen onvoldoende gelukt. De controlerende ambtenaren hebben van hun bevindingen verslag gedaan in een rapport van 15 april 1997.
2.5. Het rapport vermeldt, dat in de periode van oktober 1995 tot en met februari 1997 aan de opleiding diverse buitenlandse docenten, medewerk(st)ers en tijdelijke krachten waren verbonden, zonder dat over de aan hen verstrekte beloningen loonbelasting en premies AOV/AWW werden afgedragen. Aan de hand van de schattingen van de controlerende ambtenaren heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd. In de aanslag is 25% aan boete begrepen.
2.6. In zijn beschikking op het bezwaarschrift heeft de inspecteur de aanslag voor wat betreft de premieheffing herrekend en daarbij met name rekening gehouden met het reeds op aangifte afgedragen bedrag. De boete van 25% is dienovereenkomstig verminderd.
2.7. Appellante is op 24 januari 1997 ontbonden.
Geschil
Het geschil betreft de vraag of appellant belastingplichtig is voor de loonbelasting en premieheffing AOV/AWW ter zake van de aan het administratieve en lesgevende personeel verstrekte beloningen.
Standpunt van appellant
Het onderwijsprogramma werd sedert oktober 1995 verzorgd op Sint Maarten op basis van tijdelijke toelating van staf en docenten verzorgd. Deze functionarissen waren toen nog in dienst van de vestiging op Monserrat en waren tijdelijk gedetacheerd op Sint Maarten. Er was in de periode van oktober 1995 tot en 16 februari 1996 (de datum waarop X werd opgericht) nog geen sprake van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op Sint Maarten en derhalve ook nog geen belastingplichtige voor de loonbelasting.
Vanaf 16 februari 1996 werd de opleiding verzorgd door X. Volgens appellante voldoet sedertdien X aan haar verplichtingen met betrekking tot de afdracht van loonbelasting en premies AOV/AWW, zij het – in strijd met de feitelijke situatie – via appellante. De navorderingsaanslag is dan ook ten onrechte aan appellante opgelegd.
4.3. Wat de hoogte van de aanslag betreft is appellante van mening, dat de Inspecteur van onjuiste veronderstellingen uitgaat voor wat betreft de – op parttime-basis werkzame – leerkrachten en ten onrechte afgaat op verklaringen van een ex-docent.
4.4.D is steeds bereid geweest medewerking te verlenen, maar door een gebrekkige administratieve en fiscale begeleiding in het verleden zijn er talrijke communicatieproblemen met de fiscus ontstaan. Er is thans door de Minister van Financiën een Commissie van goede diensten ingesteld.
Standpunt van de Inspecteur
5.1. De inspecteur stelt in de eerste plaats, dat er in de periode van oktober 1995 tot 16 februari 1996 sprake was van een vaste inrichting op Sint Maarten van de te Monserrat gevestigde universiteit. Er was kantoorruimte, collegeruimte en laboratoriumruimte gehuurd, er was een administratieve staf aanwezig, alsmede 10 tot 15 docenten voor de ongeveer 300 tot 400 studenten, terwijl de stichter en bestuurder van de universiteit, D, op Sint Maarten woonde.
5.2. Reeds op 27 november 1995 vond een eerste gesprek plaats met D en bij het tweede gesprek op 1 februari 1996 werden aan D loonbelastingbescheiden meegegeven op naam en nummer van appellante. D gaf toen op geen enkele wijze aan dat die tenaamstelling fout was. Ook later, tijdens de controle, werd daarvan geen melding gemaakt. Pas in de bezwaarfase werd de onjuiste tenaamstelling aan de inspecteur tegengeworpen, hoewel ook toen nog steeds op naam van appellante aangifte voor de loonbelasting en premieheffing werd gedaan. Pas in de beroepsfase zijn arbeidscontracten overgelegd tussen medewerkers en X. De inspecteur is dan ook van mening, dat de docenten en overige medewerkers in dienst waren van appellante, althans dat hem in deze fase niet kan worden tegengesproken dat de tenaamstelling onjuist zou zijn.
5.3. De inspecteur zet vervolgens uitvoerig uiteen op basis van welke gegevens hij de navorderingsaanslag bij wijze van schatting heeft berekend, waarbij hij onder meer melding maakt van een verklaring van een aan de universiteit verbonden docent en van gepubliceerde gegevens omtrent de aantallen docenten en studenten. Het feit dat een deel van de salarissen in de Verenigde Staten werd uitbetaald – zoals D heeft toegegeven – heeft de inspecteur laten meewegen. De inspecteur meent, dat hij – noodgedwongen wegens het gebrek aan medewerking en toereikende schriftelijke stukken – een redelijke schatting heeft gemaakt. Hij is voor de docenten uitgegaan van een jaarsalaris, rekening houdend met de kosten van levensonderhoud op Sint Maarten. Dat de docenten het gehele jaar op Sint Maarten verblijven, blijkt volgens hem uit het feit, dat een woontoelage voor het gehele jaar wordt verstrekt.
5.4. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard, dat hem van een Commissie van goede diensten niets bekend is.
Overwegingen omtrent het geschil
6.1.Vaststaat dat appellante in verband met de vulkanische eruptie op Monserrat de door haar aldaar verzorgde medische opleidingen op 16 oktober 1995 overgebracht naar Sint Maarten. De inspecteur heeft onvoldoende weersproken gesteld dat in die periode van oktober 1995 tot 16 februari 1996 ten behoeve van die opleidingen kantoorruimte, collegeruimte en laboratoriumruimte ter beschikking stond op Sint Maarten. Voorts was een administratieve staf aanwezig, alsmede 10 tot 15 docenten voor de ongeveer 300 tot 400 studenten. De stichter en bestuurder van de universiteit, D, woonde op Sint Maarten.
6.2.Naar het oordeel van de Raad heeft de inspecteur op grond van het vaststaande als voormeld aannemelijk gemaakt, dat appellante belastingplichtig was voor de loonbelasting en de premieheffing AOV/AWW ter zake van de aan het administratieve en lesgevende personeel verstrekte beloningen. Het verweer van appellante dat de aanslag ten onrechte op haar naam is gesteld, faalt derhalve.
6.3.Met betrekking tot de hoogte van de aanslag stelt de Raad vast, dat de inspecteur bij zijn beschikking op het bezwaarschrift voor wat betreft de toepassing van het anoniementarief aan het bezwaar van appellante is tegemoet gekomen, terwijl appellante zich in beroep niet tegen de door de inspecteur toegepaste brutering heeft verzet.
6.4.Doordat appellante de voor een behoorlijke loonbelastingcontrole benodigde bescheiden niet, althans zeer onvolledig, heeft opgemaakt dan wel overgelegd, handelde zij in strijd met de artikelen 19 en 23 van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976. Daardoor was de inspecteur gedwongen een schatting te maken. De consequenties daarvan zijn voor rekening van appellante, tenzij mocht blijken dat die schatting onredelijk is. Naar het oordeel van de Raad heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt, dat de navorderingsaanslag berust op een redelijke schatting. Nu appellante onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd is de aanslag, zoals verminderd, juist.
Beslissing
De Raad verklaart het beroep ongegrond.
mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter, J.K. Moltmaker en Th. Groeneveld, leden