ECLI:NL:ORBBNAA:2001:BU3864

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
8 augustus 2001
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2000/039
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Ilsink
  • Groeneveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene termijnenverordening (AB 1999 no. 107)Landsbesluit met zondagen gelijkgestelde dagen (AB 1989 GT no. 74)Wijziging AB 1992 no. 51
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding termijn bij belastingaanslag

Appellant kreeg op 25 september 1998 een aanslag inkomstenbelasting 1995 opgelegd. Tegen deze aanslag maakte hij bezwaar op 23 november 1998. De Inspecteur verminderde het belastbaar inkomen bij uitspraak op bezwaar van 25 november 1999. Appellant stelde beroep in door een beroepschrift dat op 26 januari 2000 ter griffie binnenkwam.

De Raad van Beroep oordeelde dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend, omdat de beroepstermijn van twee maanden na de uitspraak op bezwaar op 25 januari 2000 verliep. Appellant voerde aan dat de termijn verlengd moest worden vanwege een zondag en een feestdag (Dia di Betico), maar deze regeling was nog niet van kracht omdat de Algemene termijnenverordening niet rechtsgeldig was afgekondigd.

De Raad verwierp het betoog dat de uitspraak pas kort voor het verstrijken van de termijn was ontvangen. Omdat appellant voldoende gelegenheid had om beroep in te dienen, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Uitkomst: Appellant wordt niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Beschikking van 8 augustus 2001, nr. 2000/039
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
appellant
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Het procesverloop.
1.1. Aan appellant is met dagtekening 25 september 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1995 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Af 99.952.
1.2. Appellant heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt bij brief van 23 november 1998. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 25 november 1999, heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van Af 99.481.
1.3. Bij op 26 januari 2000 ter griffie van de Raad binnengekomen beroepschrift is appellant van deze uitspraak in beroep gekomen.
1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.5. Ter zitting van 23 november 2000 te Aruba zijn verschenen appellant alsmede de Inspecteur.
2. De ontvankelijkheid van het beroep.
Appellant kan in zijn beroep niet worden ontvangen, nu het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. De uitspraak op het bezwaar dateert van 25 november 1999 en het beroepschrift is ter griffie ingekomen op 26 januari 2000.
Appellant stelt dat ingevolge de Algemene termijnenverordening (AB 1999 no. 107) en het Landsbesluit met zondagen gelijkgestelde dagen (AB 1989 GT no. 74), gewijzigd bij AB 1992 no. 51, waarbij de Dia di Betico (25 januari) is gelijkgesteld met een zondag, de termijn liep tot 27 januari 2000.
Echter is de Algemene termijnenverordening nog niet in werking getreden, omdat zij (nog) niet op de vereiste wijze is afgekondigd. Deswege vindt verlenging van de wettelijke beroepstermijn van twee maanden niet plaats en is het beroep te laat ingesteld.
Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij de uitspraak eerst enkele dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen, hetgeen de Inspecteur ontkent. De stelling dat de uitspraak werd ontvangen enkele dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn is in het beroepschrift niet betrokken, daarin is gerept van een beschikking die later is ontvangen dan de dagtekening aangeeft. De Raad houdt het er dan ook voor dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om een – al of niet gemotiveerd – beroepschrift in te dienen.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat appellant niet in zijn beroep kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Raad verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep.
mrs. Van Gijn, Ilsink en Groeneveld