ECLI:NL:ORBBNAA:2001:BU3878

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
10 augustus 2001
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2000/049a
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Ilsink
  • Groeneveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128b LIUD
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep inzake weigering verhuisboedelvrijstelling voor ingevoerde auto

Appellant vroeg vrijstelling van invoerrecht voor een ingevoerde personenauto als onderdeel van zijn verhuisboedel van Nederland naar Aruba. De Inspecteur weigerde deze vrijstelling, en dit werd bevestigd bij uitspraak op bezwaar. Appellant kwam vervolgens in beroep bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken.

De Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van één maand na de uitspraak op bezwaar was ingediend. Ter overvloede behandelde de Raad het materiële geschilpunt. Appellant had geïnformeerd bij een douaneambtenaar over de toepasselijkheid van de verhuisboedelvrijstelling, maar had niet doorgevraagd naar alle voorwaarden, zoals het vereiste gebruik van de auto in het buitenland gedurende zes maanden voorafgaand aan de overbrenging van het hoofdverblijf.

De Raad oordeelde dat appellant een correct antwoord had gekregen op zijn vraag, maar dat dit geen rechtmatig vertrouwen kon wekken dat de vrijstelling van toepassing was. Het niet doorvragen naar aanvullende voorwaarden kwam voor zijn risico. Ook het beroep op het proportionaliteitsbeginsel werd verworpen, aangezien de wet correct was toegepast ondanks de financiële consequenties voor appellant.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in beroep tegen de weigering van vrijstelling van invoerrecht voor de auto.

Uitspraak

Beschikking van 10 augustus 2001, nr. 2000/049a
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
appellant
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Het procesverloop.
1.1. Aan appellant is bij beschikking van 21 december 1999 vrijstelling van invoerrecht geweigerd voor de invoer van een personenauto van het merk Mercedes, type , bouwjaar , met het kenteken (hierna: de auto).
1.2. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 14 januari 2000, heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.
1.3. Bij op 24 maart 2000 ter griffie van de Raad binnengekomen beroepschrift is appellante van deze uitspraak in beroep gekomen.
1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.5. Ter zitting van 23 november 2000 in Aruba zijn verschenen appellant vergezeld door zijn vader en de Inspecteur.
Appellant heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
De Inspecteur heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
2. De ontvankelijkheid van het beroep.
2.1. Appellant kan niet in zijn beroep worden ontvangen, nu het beroepschrift, zoals uit het onder het procesverloop hiervoor vermelde blijkt, niet binnen de daarvoor geldende termijn van 1 maand na de uitspraak waartegen het zich richt, is ingediend (art. 128b, derde lid, van de Landsverordening In-, Uit- en Doorvoer (LIUD)).
2.2. Appellant dient derhalve in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Beschouwing ten overvloede naar aanleiding van het materiële geschilpunt
3.1. Op 21 mei 1999 is in Nederland de auto op naam gesteld van appellant.
3.2. Appellant is op 10 juli 1999 in Aruba aangekomen. Enkele dagen na aankomst heeft hij bij de ambtenaar V van de Douane informatie ingewonnen omtrent de toepassing van de verhuisboedelvrijstelling op een personenauto, zulks in het kader van zijn verhuizing van Nederland naar Aruba.
3.3. Op 21 juli 1999 heeft appellant zijn verhuisboedel in Nederland opgeslagen.
3.4. Op 3 december 1999 heeft appellant zijn verhuisboedel van Nederland naar Aruba verscheept. Op 9 december 1999 heeft appellant zich laten inschrijven in het bevolkingsregister van Aruba.
3.5. Appellant heeft op 21 december 1999 een aangifte gedaan ten invoer van zijn verhuisboedel met verzoek om vrijstelling van invoerrecht. Tot de verhuisboedel behoorde de auto.
3.6. Appellant meent dat door uitlatingen van de douaneambtenaar V bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij de auto onder de verhuisboedelvrijstelling zonder betaling van invoerrechten zou kunnen invoeren.
Appellant stelt in dat kader dat hij enkele dagen na zijn aankomst in Aruba, op 10 juli 1999, informatie heeft ingewonnen bij de douaneambtenaar V. Terzake van de auto stelde hij daar toen de vraag: Hoe lang moet je een auto hebben om hem in te voeren vrij van recht?
De ambtenaar deelde hem daarop mee dat die termijn zes maanden is. Meer heeft appellant toen niet gevraagd met betrekking tot de in te voeren auto.
3.7. De Raad gaat er vanuit dat voormelde weergave van een deel van het gesprek met de douaneambtenaar V juist is.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant op de door hem gestelde vraag een correct antwoord gekregen. Dit antwoord kon bij hem echter niet het vertrouwen wekken dat daarmee de verhuisboedelvrijstelling van toepassing zou zijn op de auto. Daarvoor moet immers tevens voldaan zijn aan het gebruik van de auto in het buitenland gedurende de termijn van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging van het hoofdverblijf.
Ook indien wordt uitgegaan van zijn ondeskundigheid ter zake lag het op de weg van appellant om te vragen of met de eigendom gedurende zes maanden voldaan zou zijn aan de vrijstellingsvoorwaarden.
De omstandigheid dat appellant dat achterwege heeft gelaten komt voor zijn rekening.
3.8. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op het proportionaliteitsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij stelt immers dat zoveel invoerrecht moet worden voldaan, dat aanschaf van een nieuwe auto op Aruba voordeliger zou zijn geweest.
De Raad verwerpt voormeld beroep. Dat de toepassing van de wet leidt tot een situatie die appellant, had hij haar voorzien, tot andere afwegingen zou hebben gebracht, doet op zichzelf niet af aan de juistheid van die wetstoepassing.
7. Beslissing
De Raad verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep.
mrs. Van Gijn, Ilsink en Groeneveld