ECLI:NL:ORBBNAA:2002:BU4458

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
2 december 2002
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2001/430
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • L. van Gijn
  • J.W. Ilsink
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16a LIBArt. 23a LIB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingaftrek voor kinderen bij concubine: geen recht op kinderaftrek maar wel aftrek buitengewone lasten

Appellant was gehuwd geweest en heeft drie kinderen met zijn ex-echtgenote, van wie twee minderjarig waren in het belastingjaar 1998. Daarnaast woont hij ongehuwd samen met mevrouw A, met wie hij vier kinderen heeft die jonger zijn dan 18 jaar. Appellant betaalde bijdragen voor de kosten van levensonderhoud van deze kinderen, maar deze bedragen dekken minder dan 90% van de kosten.

De Inspecteur stelde dat appellant voor de kinderen bij mevrouw A recht heeft op kinderaftrek, terwijl appellant betoogde dat hij daarvoor geen recht heeft en in plaats daarvan aanspraak maakt op aftrek wegens buitengewone lasten. De Raad van Beroep stelde vast dat volgens artikel 23a lid 1 onder a van de Landsverordening inkomstenbelasting (LIB) kinderaftrek alleen geldt wanneer de kinderen nagenoeg geheel op kosten van de belastingplichtige worden onderhouden, hetgeen hier niet het geval was.

De Raad oordeelde dat appellant geen recht heeft op kinderaftrek voor de kinderen bij mevrouw A, maar wel op aftrek wegens buitengewone lasten. De wettelijke bepalingen zijn volgens de Raad niet aangepast aan maatschappelijke ontwikkelingen, maar het is niet aan de rechter om de wettekst opzij te zetten. De aanslag werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen conform de door appellant opgegeven waarde.

Het beroep werd gegrond verklaard en de beschikking op bezwaar vernietigd, waarmee de aanslag werd verminderd.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderaftrek voor kinderen bij concubine, maar wel op aftrek wegens buitengewone lasten; aanslag wordt verminderd.

Uitspraak

Beschikking van 2 december 2002, nr. 2001/430
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Procesverloop
1.1. Aan appellant is met dagtekening 30 maart 2000 voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar belastbaar inkomen van Aƒ a. Appellant is tegen die aanslag op 28 maart 2000 in beroep (ME: moet zijn: bezwaar) gekomen bij de Inspecteur. Weliswaar was toen de bezwaartermijn nog niet aangevangen, maar aannemelijk is dat de aanslag wel reeds tot stand was gekomen. Het bezwaar is dus ontvankelijk. De Inspecteur heeft bij beschikking van 6 augustus 2001 de aanslag gehandhaafd.
1.2. Appellant heeft op 5 oktober 2001, dus tijdig, bij de Raad beroep aangetekend tegen de beschikking op bezwaar. De Inspecteur heeft op 18 februari 2002 een vertoogschrift ingediend. Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 11 april 2002. Beide partijen zijn verschenen. Appellant heeft een pleitnota overgelegd.
2. Vaststaande feiten
2.1. Appellant woont ongehuwd samen met A. Zij hebben samen vier thuiswonende kinderen (hierna kortheidshalve: de kinderen A) die bij het einde van het belastingjaar jonger waren dan 18 jaar. Appellant heeft de kinderen erkend. Als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de kinderen betaalt appellant aan mevrouw A maandelijks een bedrag van Aƒ 200 per kind, derhalve jaarlijks Aƒ 9.600. Mevrouw A geniet eigen inkomsten en heeft voor de vier kinderen recht op kinderaftrek als bedoeld in art. 23A Landsverordening inkomstenbelasting (LIB). De bijdrage van appellant dekt minder dan 90% van de kosten.
2.2. Appellant is gehuwd geweest met B. De gewezen echtelieden hebben samen drie kinderen (hierna kortheidshalve: de kinderen B) van wie de oudste in de loop van het belastingjaar meerderjarig is geworden en de twee jongsten bij het einde van het belastingjaar nog minderjarig waren. De kinderen wonen bij hun moeder. Appellant heeft als bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud in het onderhavige jaar Aƒ 7.800 betaald. Daarmee is minder dan 90% van de kosten gedekt.
3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
3.1. De Inspecteur stelt dat appellant voor de vier kinderen A recht heeft op kinderaftrek en dus niet in aanmerking komt voor aftrek wegens buitengewone lasten. Appellant betoogt dat hij voor die kinderen geen recht op kinderaftrek heeft en dus wel in aanmerking komt voor aftrek wegens buitengewone lasten.
3.2. Niet in geschil is dat appellant voor de drie kinderen B geen recht heeft op kinderaftrek en dat hij voor die kinderen recht heeft op aftrek wegens buitengewone lasten ten bedrage van Aƒ 7.800.
3.3. Mocht het gelijk zijn aan de zijde van appellant, dan is niet in geschil dat het belastbare inkomen moet worden gesteld op Aƒ b, conform de aangifte.
4. Beoordeling van het beroep
4.1. Gelet op het bepaalde in art. 16a, lid 1, onder a, LIB kan appellant de op hem drukkende uitgaven tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van zijn eigen kinderen voor wie hij geen kinderaftrek geniet, als buitengewone lasten in mindering op zijn inkomen brengen. Onderzocht moet dus worden of appellant voor de kinderen A al dan niet kinderaftrek geniet.
4.2. Naar luid van art. 23a, lid 1, onder a, LIB geniet de belastingplichtige kinderaftrek voor zijn eigen kinderen die jonger zijn dan 18 jaar en nagenoeg geheel op zijn kosten worden onderhouden. Vaststaat dat de bijdrage van appellant in de kosten van levensonderhoud minder dan 90% van de totale kosten bedraagt. De kinderen worden dus niet nagenoeg geheel op zijn kosten onderhouden. Dus heeft appellant voor die kinderen geen recht op kinderaftrek.
4.3. Mitsdien moet worden geoordeeld dat appellant voor de kinderen A, anders dan de Inspecteur meent, wel recht heeft op aftrek wegens buitengewone lasten. Aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat "de wettelijke bepalingen niet zijn aangepast aan de maatschappelijke ontwikkelingen", maar dat betekent niet, zoals de Inspecteur betoogt, dat "appellant en zijn concubine thans beiden recht [hebben] op kinderaftrek". Het is de belastingrechter immers niet toegestaan om in een geval als het onderhavige de wettekst opzij te zetten. Dat zal de wetgever, zo hij daartoe redenen aanwezig acht, zelf moeten doen.
4.4. Het beroep is derhalve gegrond.
5. Beslissing
De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking op bezwaar en vermindert de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van Aƒ b.
mrs. L. van Gijn, J.W. Ilsink en L.F. van Kalmthout