ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BT8995

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
30 oktober 2003
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2002/109 en 2002/110
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Groeneveld
  • Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16A LIB 1943
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbaarheid kosten levensonderhoud studerende kinderen in inkomstenbelasting 1998

Appellant, werkzaam als assistent Managing Director, maakte in 1998 kosten voor het levensonderhoud van zijn twee studerende zonen, C in de VS en D in Nederland. De Inspecteur weigerde aftrek van een deel van deze kosten op grond van de Landsverordening inkomstenbelasting 1943 (LIB 1943).

De Raad van Beroep stelde vast dat indien zowel artikel 16A, eerste lid, als derde lid van toepassing zijn, alleen de meest specifieke bepaling geldt. Voor kinderen ouder dan 27 jaar die een universitaire opleiding volgen en geen eigen inkomsten kunnen verwerven, geldt het derde lid. Dit leidde tot beoordeling van de kosten van beide zonen volgens dit lid.

De Raad oordeelde dat alleen uitgaven die een redelijk bestaan mogelijk maken binnen het maatschappelijke bestedingspatroon als buitengewone lasten aftrekbaar zijn. Voor zoon D werden alleen vliegticket- en verhuiskosten als aftrekbaar erkend. Voor zoon C werden huurkosten tot maximaal $500 per maand, telefoonkosten tot $1.000 per jaar en aanschaf van een auto van $3.750 als redelijk aangemerkt, inclusief afschrijvingskosten.

De Raad vernietigde de eerdere aanslagen en stelde het belastbaar inkomen van appellant lager vast, waarmee de aftrek van buitengewone lasten deels werd toegewezen.

Uitkomst: De Raad van Beroep vernietigt de aanslagen en vermindert het belastbaar inkomen door gedeeltelijke toekenning van aftrekbare kosten van levensonderhoud voor studerende kinderen.

Uitspraak

Beschikking van 30 oktober 2003, nrs. 2002/109-110.
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Curaçao,
1. Het procesverloop.
1.1. Aan appellant is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf 185.559 en een inkomen voor de premieheffing AVBZ van Naf 187.601.
1.2. Bij uitspraken op de tijdig ingediende bezwaarschriften van appellant tegen de aanslagen heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.
1.3. Appellant is tijdig van deze uitspraken in beroep gekomen.
1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.5. Ter zitting van 30 oktober 2003 te Willemstad zijn verschenen gemachtigde tot bijstand vergezeld door mevrouw N. De Inspecteur is eveneens verschenen.
2. De tussen partijen vaststaande feiten.
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.
2.1. Appellant is als assistent Managing Director werkzaam bij de X N.V. en genoot in 1998 een bruto salaris van Naf y. Zijn zoon C, geboren in 1970, volgde in 1998 een opleiding in de VS en zijn zoon D, geboren in 1976, in Nederland. In beide gevallen gaat het om een opleiding op universitair niveau.
2.2. De uitvoerig gedocumenteerde als ‘levensonderhoud’ benoemde uitgaven van C bedroegen in 1998 Naf 70.129. Deze uitgaven werden voor Naf 41.230 bestreden uit een aan hem verstrekte uitkeringen van de Stichting X. Deze uitkeringen strekten uitsluitend tot bestrijding van de studiekosten van C. Appellant heeft zijn zoon overigens van middelen voorzien. De Inspecteur heeft terzake geen aftrek toegestaan.
2.3. Appellant heeft zijn zoon D in aanvulling op zijn studiebeurs van middelen voorzien. De Inspecteur heeft terzake Naf 4.034 in aftrek toegestaan op de voet van artikel 16A, derde lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting 1943 (hierna LIB 1943).
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de door appellant opgevoerde aftrek van kosten van levensonderhoud voor zijn zoon C geheel heeft geweigerd en de aftrekbaarheid van de uitgaven voor zijn zoon D terecht heeft beperkt tot Naf 4.034 (de kosten van een vliegticket ad Naf 1.534 en inrichtingskosten ad Naf 2.500).
4. De standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de ge¬dingstukken, waaronder begrepen de namens appellant voorgedragen pleitnota.
5. Beoordeling van het geschil.
5.1. Artikel 16A, eerste lid, LIB 1943 bepaalt dat buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven zijn voor onder meer de kosten van levensonderhoud voor eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen. Het derde lid van voormeld artikel bepaalt voor 1998 dat zodanige kosten mede als buitengewone lasten worden aangemerkt, voor zover die kinderen niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven als gevolg van het volgen van een hoger beroeps-, universitaire of daarmee vergelijkbare opleiding. Die kosten worden in aanmerking genomen voor zover zij niet meer bedragen dan Naf 25.000, aldus volgt uit het betreffende Landsbesluit. Bij toepassing van deze bepaling wordt voor een dergelijk kind geen kinderaftrek verleend.
5.2. De Raad is van oordeel dat ingeval kosten van levensonderhoud voor kinderen zowel op grond van artikel 16A, eerste lid, LIB 1943 als op grond van het derde lid van die bepaling in aanmerking kunnen komen, alleen de meest specifieke bepaling toepassing kan vinden. De wetgeschiedenis geeft geen aanleiding af te wijken van dit algemene beginsel van rechtsvinding. Naar het oordeel van de Raad gaat aldus het derde lid van artikel 16A voor op het eerste lid als het gaat om een kind ouder dan 27 jaar dat een universitaire opleiding volgt waardoor hij niet bij machte is zelf inkomsten te verwerven om in zijn levensonderhoud te voorzien. De slotzin van het derde lid, die samenloop van buitengewone lastenaftrek en kinderaftrek uitsluit, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de wetgever met ingang van 1 januari 2001 de aftrek van kosten voor studerende kinderen heeft beperkt tot kinderen jonger dan 27 jaar brengt de Raad evenmin tot een ander oordeel. De door appellant voor zijn zonen C en D gedane uitgaven dienen aldus voor beiden beoordeeld te worden op de voet van artikel 16A, derde lid, LIB 1943.
5.3. Als uitgaven voor levensonderhoud komen op grond van vaste jurisprudentie van de Raad in aanmerking uitgaven die ertoe strekken de ontvanger in staat te stellen een redelijk bestaan te voeren overeenkomstig zijn plaats in de samenleving.
5.4. Wat betreft D heeft de Inspecteur daarbij terecht het stelsel van studiefinanciering voor uitwonende studenten in Nederland tot uitgangspunt genomen en daarboven slechts de kosten voor een vliegticket en de door gezondheidsredenen ingegeven kosten van verhuizing in aanmerking genomen. Appellant is naar het oordeel van de Raad er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat voor het levensonderhoud van D meer nodig was dan de Inspecteur in aanmerking heeft genomen.
5.5. Wat betreft de uitgaven van levensonderhoud van C spitst het geschil zich toe op de in aanmerking te nemen kosten van huur van een woning, telefoon en transport.
5.5.1. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant aannemelijk gemaakt dat het, behoudens voor eerstejaars, voor studenten in de VS niet ongebruikelijk is buiten de campus te wonen. Dat betekent echter niet dat de kosten van wonen buiten de campus onbeperkt in aanmerking kunnen komen. Het moet steeds gaan om uitgaven die passen binnen het bestedingspatroon van personen met een overeenkomstige plaats in de samenleving. De Raad acht in goede justitie terzake maximaal $ 500 per maand aanvaardbaar.
5.5.2. Om overeenkomstige redenen kunnen telefoonkosten slechts tot maximaal $ 1.000 in aanmerking komen.
5.5.3. Om te voorzien in de behoefte aan vervoer acht de Raad, gelet op de afwezigheid van adequaat openbaar vervoer tussen de woonplaats van C en de plaats waar hij zijn universitaire opleiding volgde, de aanschaf van een auto van $ 3.750 niet onredelijk. Anders dan de Inspecteur stelt komen bij de vaststelling van uitgaven voor levensonderhoud in het kader van artikel 16A niet alleen de variabele kosten in aanmerking, maar mag ook rekening worden gehouden met de kosten van afschrijving. Appellant heeft terzake $ 1.000 in aanmerking genomen. Nu de Inspecteur dit bedrag als zodanig niet heeft bestreden zal de Raad daarvan uitgaan.
5.6. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de uitspraak niet in stand kan blijven. Het belastbare inkomen van appellant dient als volgt te worden verminderd (alle bedragen afgerond op Naf):
Tabel 1
6. Beslissing
De Raad vernietigt de beschikkingen waarvan beroep en vermindert de aanslag inkomstenbelasting tot een naar een belastbaar inkomen van Naf 164.397 en de aanslag AVBZ tot een naar een premieinkomen van Naf 166.439.
mrs. Van Gijn, Groeneveld en Overgaauw