ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BU4321

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
7 november 2003
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2000/93 en 105
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Groeneveld
  • Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 LvGArt. 10 LvBIHArt. 2, eerste lid, onderdeel h LvGArt. 2, eerste lid, onderdeel b LvBIHArt. 2, derde lid LvG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrechtelijke beoordeling van bezit en tax holiday bij grondbelasting voor hotelproject

Appellante heeft beroep ingesteld tegen aanslagen grondbelasting over 1998 en 1999 betreffende een hotelproject op Aruba. De kern van het geschil betrof de vraag vanaf wanneer appellante het onroerend goed in bezit had in de zin van de Landsverordening grondbelasting (LvG) en de toepassing van een toegekende tax holiday.

De Raad stelde vast dat civielrechtelijk appellante het onroerend goed pas in 1991 in erfpacht verkreeg, maar fiscaalrechtelijk al vanaf de aanvang van de bouw in 1987 als bezitter moest worden beschouwd omdat zij zich als zodanig gedroeg en investeringen deed alsof het haar eigendom was. Hierdoor werd de tax holiday beëindigd per 1 januari 1998.

Verder oordeelde de Raad dat de aanslag niet onduidelijk was en dat de waardering van de onroerende goederen niet te hoog was vastgesteld. Ook werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat de Inspecteur geen voldoende specifieke toezegging had gedaan.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de aanslagen grondbelasting volledig.

Uitkomst: De aanslagen grondbelasting blijven in stand omdat appellante fiscaalrechtelijk het onroerend goed vanaf 1987 in bezit had en de tax holiday per 1 januari 1998 is beëindigd.

Uitspraak

Beschikking van 7 november 2003, nr. 2000/93 en 105
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Procesverloop
1.1. Aan appellante is met dagtekening 16 november 1998 een aanslag in de grondbelasting opgelegd voor het jaar 1998 naar een belastbare waarde van Afl. x.
1.2. Appellante heeft tijdig een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 5 april 2000 de aanslag gehandhaafd.
1.3. Appellante heeft op 10 april 2000, dus tijdig, bij de Raad beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Vervolgens heeft appellante een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2003. Beide partijen zijn verschenen. Appellante heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
1.4. Aan appellante is met dagtekening 15 september 1999 een aanslag in de grondbelasting opgelegd voor het jaar 1999 naar een belastbare waarde van Afl. x.
1.5. Appellante heeft tegen die aanslag op 8 oktober 1999, dus tijdig, een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 1 februari 2000 de aanslag gehandhaafd.
1.6. Appellante heeft op 14 maart 2000, dus tijdig, bij de Raad beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Vervolgens heeft appellante een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.
1.7. De beroepen zijn mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2003. Beide partijen zijn verschenen. De gemachtigde van appellante heeft een pleitnota overgelegd en de Inspecteur heeft van het gestelde in de pleitnota kennis genomen. De Inspecteur heeft de standpunten van appellante bestreden.
2. Vaststaande feiten
2.1. De onderhavige aanslag is als volgt opgebouwd: (red.: niet opgenomen)
2.2. Appellante heeft op 28 mei 1991 het recht van erfpacht verworven van het eerstgenoemde perceel grond L. Appellante is in 1987 met de bouw van het hotel begonnen omdat zij een toezegging van het Land had dat ten behoeve van haar een erfpachtsrecht zou worden uitgegeven. In de akte waarbij het recht van erfpacht ten behoeve van appellante is gevestigd, is over de periode vanaf 1 december 1987 tot 15 maart 1991 het volgende opgenomen:
“De voormelde percelen kadastraal bekend ..... worden geacht bij de naamloze vennootschap B N.V. in gebruik te zijn over de periode een december negentienhonderd zeven en tachtig tot vijftien maart negentienhonderd een en negentig waarvoor een vergoeding van a florin (f a) verschuldigd is.”
Appellante heeft het op het perceel gestichte hotel vanaf 1989 op haar balans geactiveerd aangezien zij de economisch eigenaar zou zijn.
2.3. De percelen grond aangeduid als H1straat en H2straat zijn op 26 april 1996 door appellante in eigendom verworven.
2.4. Aan appellante is bij Landsbesluit van 23 juli 1987 een tax holiday toegekend. De tekst van het Landsbesluit luidt voorzover van belang als volgt:
“Te verklaren dat de naamloze vennootschap A N.V. voor wat betreft het door haar op Aruba te stichten en in te richten gebouw, als bovenbedoeld, voor de duur van ten hoogste elf jaren wordt aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw.”
Anders dan de tussenzin “als bovenbedoeld” zou kunnen doen vermoeden, bevat het Landsbesluit zelve geen nadere omschrijving van het te stichten en in te richten gebouw. In het aan het Landsbesluit voorafgaande verzoek waaraan het Landsbesluit refereert wordt het project als volgt omschreven:
“ dat ... (lees appellante) voornemens is op korte termijn een aanvang te maken met een groot project welke het centrum van Oranjestad zal omzetten in een van de meest attraktieve toeristische trekpleisters in het Caraibische gebied waarmede een investering van ongeveer twintig miljoen florins zal zijn gemoeid;
- het project zal bestaan uit:
a. de bouw van een ultra-modern hotelgebouw;
b. t/m f
- dat dit vijf verdiepingshotelgebouw op de plaats van het bestaande politiewacht-complex zal worden geconstrueerd en direct werkgelegenheid in de bouwsector zal verschaffen en na voltooing aan 250 hotelwerknemers;
- dat ter realisering van deze plannen medewerking vereist is van de overheid t.a.v. de volgende punten:
1. het toekennen van een “tax holiday” conform de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw;
2. vaststelling van de erfpachtscanon voor het benodigde erfpachtsperceel op Afl z per m²;
3-5. .....
6. verstrekken van een vergunning voor het ontwikkelen en exploiteren van ….;
7-8. .....
- dat ter beoordeling van het een en ander U hierbij wordt aangeboden tekeningen en situatieschetsen van bovenvermeld project alsmede een nadere toelichting;
.....”.
Het vorenomschreven project heeft betrekking op alle op het aanslagbiljet vermelde onroerende goederen.
2.5. Het Landsbesluit vermeldt geen ingangsdatum van de tax holiday. Het project is feitelijk gestart in 1987.
2.6. Aan appellante is over 1997 voor dezelfde onroerende zaken als in 1998 en 1999 en dezelfde belastbare waarde een aanslag grondbelasting opgelegd. Deze aanslag is door de Inspecteur, nadat appellante zich in bezwaar op haar tax holiday had beroepen, vernietigd. De Inspecteur overwoog daarbij het volgende:
“De Inspecteur wijst Uw bezwaar toe, en zal de aanslag vernietigen.
Reden voor zijn beslissing is dat volgens artikel 12 van Pro de LV grondbelasting, iemand belastingplichtig is, wanneer hij bij de aanvang van het belastingjaar het genot heeft van de onroerende goederen krachtens het recht van bezit of eenig ander zakelijk recht, in dit geval is het erfpachtsrecht een zakelijk recht.”
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
- Zijn de in de aanslag betrokken onroerende goederen voldoende duidelijk op het aanslagbiljet vermeld?
- Vanaf wanneer heeft appellante de in de aanslag betrokken onroerende goederen in bezit gekregen in de zin van artikel 12 van Pro de Landsverordening grondbelasting (hierna: LvG)?
- Wanneer is de aan appellante verleende tax holiday voor de grondbelasting geeindigd?
- Wat is de waarde van de in de aanslag betrokken onroerende goederen?
- Kan appellante voor het onroerende goed Hstraat a alsnog een beroep doen op de ontheffing van artikel 35 LvG Pro?
- Mag de Inspecteur een te hoge waardering van een onroerend goed compenseren door een te lage waardering van een ander in de aanslag begrepen onroerend goed bij te stellen?
- Kan appellante zich met succes beroepen op door de Inspecteur gewekt, in rechte te beschermen, vertrouwen?
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de ge¬dingstukken waaronder de hiervoor genoemde pleitnota, welke door de Inspecteur ter zitting is bestreden.
5. Beoordeling van het beroep
5.1. De Raad is van oordeel dat de aanduiding van de in de aanslag begrepen onroerende goederen niet zodanig onduidelijk is dat de aanslag op grond daarvan niet in stand zou kunnen blijven. Appellante had naar het oordeel van de Raad kunnen en moeten begrijpen dat de aanslag, hoewel daarin wat betreft de waardering kennelijke fouten zijn gemaakt, betrekking had op de onroerende goederen waarop het onder 2.4 omschreven project betrekking had.
Bezit in de zin van artikel 12 van Pro de Landsverordening grondbelasting
5.2. Artikel 12 LvG Pro luidt:
“Belastingplichtig is hij, die bij den aanvang van het belastingjaar het genot heeft van de onroerende goederen krachtens het recht van bezit of eenig ander zakelijk recht. Wie belastingplichtig is voor den grond, is dat tevens voor al het daarop gebouwde.”
De Raad stelt voorop dat voor de uitleg van het begrip ‘bezit’ in artikel 12 LvG Pro in beginsel aansluiting moet worden gezocht bij het begrip ‘bezit’ in het zakenrecht.
5.2.1. De artikelen 581 tot en met 584, eerste lid, BW luiden:
“Artikel 581. Door bezit wordt verstaan het houden of genieten ener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijn macht heeft, alsof zij hem toebehoorde.
Artikel 582. Bezit is te goeder trouw, of te kwader trouw.
Artikel 583. Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht ener wijze van eigendomsverkrijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn.
Artikel 584. 1. Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt, dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.”
Artikel 590 BW Pro bepaalt:
“Bezit wordt verkregen door de daad van een zaak onder zijn macht te brengen, met het oogmerk om dezelve voor zich te behouden.”
Artikel 608 BW Pro luidt:
“Huurders, pachters en anderen, die houders van een zaak voor een ander zijn, kunnen geen rechtsvordering tot handhaving in het bezit aanvangen.”
5.2.2. Gelet op vorengenoemde bepalingen heeft appellante in de periode vanaf de aanvang van de bouw van het X Hotel, tot de verkrijging van het recht van erfpacht in 1991, het desbetreffende onroerende goed vanuit civielrechtelijk oogpunt bezien niet in bezit gehad.
5.3. Hoewel de begrippen uit het burgerlijk recht een belangrijk aanknopingspunt vormen voor de uitleg van fiscaalrechtelijke bepalingen, zijn zij echter niet steeds doorslaggevend.
5.4. De feiten vermeld onder 2.2 en 2.4, in onderlinge samenhang bezien en fiscaalrechtelijk gewaardeerd, leiden de Raad tot het oordeel dat appellante zich op grond van de toezegging van het Land, ten hare behoeve ter zake van het onroerende goed een erfpachtsrecht uit te zullen geven, met de aanvang van de bouw in 1987 feitelijk als bezitter is gaan gedragen. De Raad acht het onaannemelijk dat appellante de in 2.4 bedoelde investeringen heeft gedaan met een ander oogmerk dan het daardoor tot stand te brengen X Hotel voor zichzelf te behouden. Appellante heeft vanaf de aanvang van de bouw van het X Hotel het onroerende goed gehouden alsof dit haar reeds toebehoorde. Deze situatie verschilt feitelijk zo weinig van die waarin appellante zich bevindt na de verkrijging van het erfpachtsrecht, dat doel en strekking van de wet zouden worden miskend als deze niet gelijk zouden worden behandeld.
5.5. De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat appellante vanaf de aanvang van de bouw van het hotel in 1987, het onroerend goed aangeduid als X Hotel in bezit heeft gehad in de zin van artikel 12 LvG Pro.
De toepasselijkheid van de aan appellante in 1987 verleende tax holiday
5.6. Op grond van artikel 10 van Pro de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (hierna: LvBIH) wordt gedurende tien jaren na aanvang van de belastingplichtigheid geen grondbelasting geheven op onroerende goederen die deel uitmaken van een bedrijf als bedoeld in artikel 1 LvBIH Pro.
5.7. Uit het onder 5.5 opgenomen oordeel van de Raad volgt dat de tax holiday van appellante wat betreft de grondbelasting voor het X Hotel op 1 januari 1998 is beeindigd.
5.8. De Raad verwerpt de stelling van appellante dat genoemd artikel 10, door het gebruik van het woord 'bedrijfspanden' in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, LvG en in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, LvBIH, zo moet worden uitgelegd dat de vrijstelling pas zou ingaan nadat het op het onroerende goed te stichten gebouw is voltooid en ingericht. De tax holiday van artikel 10 LvBIH Pro betreft zowel de waarde van het opstal als die van de daarbij behorende gronden. Doel en strekking van deze tax holiday zouden worden miskend indien in de opstartfase van het project grondbelasting zou worden geheven over de waarde van de grond cq de waarde van het gebouw in aanbouw. Artikel 2, derde lid, LvG bepaalt dan ook dat de vrijstellingen zich uitstrekken tot de ondergrond van de gebouwen en de bijbehorende erven.
Interne compensatie
5.9. Appellante heeft de waardering van het op het aanslagbiljet vermelde onroerend goed Hstraat a op Afl 45.000.000 bestreden. Daartegenover heeft de Inspecteur gesteld dat de waardering van het X Hotel op Afl 1, op een vergissing berust. Appellante heeft de waardering door de Inspecteur van laatstgenoemd onroerend goed op Afl 75.000.000 bestreden en gesteld dat de waarde van dit onroerende goed Afl 62.000.000 zou zijn.
5.10. De grondbelasting wordt geheven door het vast stellen van een aanslag over de belastbare waarde van alle onroerende goederen waarvan een belastingplichtige het genot heeft krachtens het recht van bezit of enig ander zakelijk recht. De belasting wordt op grond van artikel 11, tweede lid, LvG slechts geheven, voor zover de totale belastbare waarde van alle belastbare onroerende goederen meer bedraagt dan Afl 60.000.
5.11. De waarde van de belastbare onroerende goederen wordt steeds voor een tijdvak van vijf jaren vastgesteld. Indien deze waarde onherroepelijk is komen vast te staan, ondergaat zij gedurende het genoemde tijdvak van vijf jaren geen wijziging meer, behoudens ingeval zich een in artikel 24, eerste lid, LvG genoemde omstandigheid voordoet. De LvG voorziet niet in een mogelijkheid om een te lage vaststelling van de totale belastbare waarde door de Inspecteur te herzien, ook niet wanneer sprake is van een evidente fout. Het vorenstaande staat er echter niet aan in de weg dat de Inspecteur de grondslagen van de aanslag, die het onderwerp is van het onderhavige geschil, wijzigt mits dat niet leidt tot een hoger bedrag aan verschuldigde belasting.
5.12. Nu appellante heeft gesteld dat de waarde van het X Hotel bij de aanvang van het tijdvak waarvoor de waarde moet worden vastgesteld, Afl 62.000.000 bedraagt, is de aanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd. De grieven van appellante die betrekking hebben op de in aanmerking te nemen waarde van het onroerende goed Hstraat a behoeven, nu zij niet kunnen leiden tot een lagere aanslag, geen behandeling meer.
Opgewekt vertrouwen
5.13. Aan de hiervoor onder 2.6 vermelde feiten heeft appellante naar het oordeel van de Raad niet het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen dat de aan haar verleende tax holiday wat betreft het X Hotel ook na het belastingjaar 1997 haar gelding nog zou behouden. Het beroep op de tax holiday dat appellante in haar bezwaarschrift tegen de aanslag grondbelasting 1997 heeft gedaan, betrof alle in de aanslag begrepen belastbare onroerende goederen en niet alleen het X Hotel. De toelichting van de Inspecteur in zijn uitspraak op het bezwaarschrift is evenmin voldoende specifiek om het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel te doen slagen.
6. Beslissing
De Raad verklaart het beroep ongegrond.
mrs. Van Gijn, Groeneveld en Overgaauw