ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BR6245

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
17 november 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2004/0001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Groeneveld
  • Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 LvIbArt. 79 LvIbArt. 81 LvIb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing basiskorting en toeslagen bij 5%-tarief penshonado in inkomstenbelasting 2001

Appellant werd voor het jaar 2001 aangeslagen in de inkomstenbelasting onder de penshonado-regeling met een gereduceerd tarief van 5%. De Inspecteur had de aanslag berekend zonder toepassing van de basiskorting en alleenverdienerstoeslag, wat tot bezwaar en beroep leidde.

De Raad stelde vast dat met ingang van 2001 de tariefstructuur van de inkomstenbelasting was gewijzigd naar een schijventarief met heffingskortingen zoals basiskorting en toeslagen. De wetgever had echter alleen de 10%-penshonado's expliciet de toepassing van deze kortingen toegestaan, terwijl de 5%-penshonado's hiervan werden uitgesloten zonder specifieke wettelijke regeling.

De Raad concludeerde dat de wetgever kennelijk geen verdere tegemoetkoming wilde geven aan de 5%-penshonado's dan het gereduceerde tarief, maar dat de uitsluiting van basiskorting en toeslagen niet expliciet geregeld was voor hen. Gezien de regeling voor 10%-penshonado's en het ontbreken van uitsluitingsbepalingen voor 5%-penshonado's, oordeelde de Raad dat ook deze groep recht heeft op de basiskorting en toeslagen.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd met Naf 2438. Hiermee werd bevestigd dat de 5%-penshonado's voor 2001 aanspraak kunnen maken op de basiskorting en toeslagen bij de inkomstenbelasting.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2001 verminderd met Naf 2438.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 17 november 2004, nr. 2004/1
1. Het procesverloop
1.1. Aan appellant is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd.
1.2. Appellant heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen voormelde aanslag. De Inspecteur heeft afwijzend beschikt op het bezwaarschrift en appellante heeft daartegen tijdig beroep ingesteld bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.3. Op 3 november 2004 heeft ter zitting van de Raad in Willemstad een mondelinge behandeling plaatsgevonden van deze zaak. Beide partijen verschenen ter zitting; appellant niet in persoon maar bij gemachtigde.
2. De tussen partijen vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.
2.1. Appellant is voor het onderhavige jaar aangeslagen in de inkomstenbelasting onder toepassing van de zogenoemde "Penshonado-regeling" (artikelen 79 e.v. van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LvIb)). Omdat appellant reeds vóór 1 januari 1998 beroep deed op voormelde regeling kwam hij in aanmerking voor het gereduceerde inkomstenbelastingtarief van 5%.
2.2. De Inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting berekend zonder toepassing van de basiskorting en de alleenverdienerstoeslag.
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting de basiskorting en de alleenverdienerstoeslag niet heeft toegepast.
4. De standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Met ingang van 1998 werd de penshonadoregeling gewijzigd. De nieuwe regeling met een tarief van 10% werd opgenomen in de artikelen 23B t/m 23E van de LvIb. De oude 5%-regeling bleef grosso modo gehandhaafd voor degenen die daartoe gerechtigd waren; wel konden deze opteren voor toepassing van de 10%-regeling.
5.2. Met ingang van 2001 werd de tariefstructuur van de inkomstenbelasting gewijzigd. Vanaf dat jaar wordt de verschuldigde inkomstenbelasting berekend met toepassing van het schijventarief. Op de aldus berekende belasting wordt basiskorting, alleenverdienerstoeslag, ouderentoeslag en kindertoeslag in mindering gebracht.
5.3. De wetgever heeft de belastingplichtige die gebruik maakt van de penshonadoregeling kennelijk geen verdere tegemoetkoming willen geven dan de geldende tariefsfaciliteit. Zo werd vóór 2001 in de artikelen 23 E, vierde lid, en 81, vierde lid, LvIb aan de penshonado de kinderaftrek en de pensioenaftrek onthouden. De overgang van het tabeltarief naar het schijventarief met heffingskortingen bracht derhalve mee dat de uitsluitingsbepalingen daaraan zouden worden aangepast.
5.4. De kern van de zaak is dat de wetgever de aanpassing van de uitsluitingsbepalingen slechts geregeld heeft voor de 10%-penshonado's en niet voor de "oude" 5%-penshonado's.
5.5. De Inspecteur stelt dat de wetgever zijn wens om de 5%-penshonado geen verdere tegemoetkoming te verlenen dan de tariefsfaciliteit binnen de wettelijke structuur reeds vervuld ziet zonder bijzondere daartoe strekkende wettelijke regeling. Artikel 79, eerste lid, LvIb, bepaalt immers dat van de 5%-penshonado "in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk V, de belasting geheven wordt naar een tarief van vijf ten honderd".
5.6. De stelling van de Inspecteur treft doel. Door de penshonado uit te sluiten van de tarieftoepassing en de daarbij behorende aftrekken bereikt de wetgever dat deze geen verdere tegemoetkoming deelachtig wordt dan de hem verleende tarieffaciliteit.
Dat de wetgever zulks niet onderkende en specifieke regelingen trof ten aanzien van de 10%-penshonado, doet aan het vorenstaande niet af. Uit de in het verleden bestaande regeling voor de penshonado, evenals uit de huidige regeling van de 10%-penshonado, blijkt immers duidelijk de wens van de wetgever om de tarieffaciliteit voor de penshonado de enige tegemoetkoming te laten zijn.
5.7. Aan de 10%-penshonado wordt voor het jaar 2001 de toepassing van de basiskorting en de toeslagen daarop gegund. Deze gunst dienen de 5%-penshonado's a fortiori deelachtig te worden, reeds omdat bij hen de indruk kon postvatten dat de wetgever hen niet wilde uitzonderen van de basiskorting en de daarbij behorende aftrekken, door in tegenstelling tot de 10%- penshonado's voor hen geen bijzondere uitsluitingsbepalingen te maken.
5.8. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond is. De aanslag moet worden verminderd met Naf 2438 .
6. Beslissing
De Raad verklaart het beroep gegrond.
mrs. Van Gijn, Groeneveld en Overgaauw