ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT7659
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. van Gijn
- C.W.M. van Ballegooijen
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van retributieheffing op vergunninghouders op Sint Maarten
Appellanten maakten bezwaar tegen de jaarlijkse retributieheffing opgelegd door het Bestuurscollege van Sint Maarten op grond van de Precariorechten- en Retributieverordening 1994. Zij voerden aan dat de retributie onrechtmatig is omdat de verleende vergunningen onbepaalde tijd gelden en zij geen individuele wederprestatie ontvangen.
De Raad oordeelde dat het belastbare feit verschilt van de leges bij aanvraag; de retributie wordt geheven voor het hebben van de vergunning en is gebaseerd op het profijtbeginsel. De tariefstelling, inclusief differentiatie naar maatschappelijk kapitaal en woonplaats van directeuren, is geoorloofd en niet discriminerend. Ook het feit dat sommige vennootschappen 'slapend' zijn, doet niet af aan hun belastingplicht zolang zij hun vergunning behouden.
Hoewel het Bestuurscollege niet binnen de wettelijke termijn op bezwaarschriften besliste, leidt dit niet tot vernietiging van de beschikking. De Raad gaf de wetgever de gelegenheid om het onderscheid in artikel 17 van Pro de Vestigingsregeling te herzien, maar zag geen grond voor het vernietigen van de heffingen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de jaarlijkse retributieheffing worden ongegrond verklaard en de heffing bevestigd.