ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT7660
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. van Gijn
- C.W.M. van Ballegooijen
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid en grondslag van retributieheffing op vergunningen in Sint Maarten
Appellanten, vijftien vennootschappen, maakten bezwaar tegen nota's van het Bestuurscollege voor retributie over 2002, geheven op grond van de Precariorechten- en Retributieverordening 1994. Zij voerden aan dat geen individuele wederprestatie werd geleverd, dat de heffing onrechtmatig was omdat vergunningen voor onbepaalde tijd werden verleend en dat de tariefstelling discriminerend was.
De Raad oordeelde dat het begrip retributie niet vereist dat belastingplichtigen een individuele wederprestatie genieten en dat de heffing gebaseerd is op het profijtbeginsel. De jaarlijkse retributie is verschuldigd voor het hebben van een vergunning, los van de eenmalige leges voor de aanvraag. De tarieventabel mag differentiëren naar maatschappelijk kapitaal en woonplaats van directeuren, wat niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Verder oordeelde de Raad dat de Vestigingsregeling een uitzondering bevat voor op de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders, maar dat deze regeling verouderd is en de wetgever van Sint Maarten wordt verzocht deze aan te passen. De beroepen werden ongegrond verklaard en de retributieheffing bevestigd.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen de retributieheffing over 2002 worden ongegrond verklaard.