ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT8852

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
30 april 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2002/1923
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • L. van Gijn
  • C.W.M. van Ballegooijen
  • G.J. van Muijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 LIB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kosten van kinderopvang niet aftrekbaar als kosten van verwerving inkomstenbelasting

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000, waarin hij de kosten van kinderopvang als aftrekpost opvoerde. De Inspecteur wees het bezwaar af, waarna appellant beroep instelde bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken.

De kern van het geschil betreft de vraag of de kosten van kinderopvang kunnen worden beschouwd als kosten van verwerving in de zin van artikel 9, lid 1, van de Landsverordening inkomstenbelasting. De Raad benadrukt dat kosten van verwerving noodzakelijk moeten zijn om het inkomen te verkrijgen en dat er een causaal verband moet bestaan tussen de uitgaven en de inkomsten uit de dienstbetrekking.

In deze zaak was het kind van appellant 2 à 3 jaar oud en kon het niet voor zichzelf zorgen, terwijl zowel appellant als zijn echtgenote buitenshuis werkten. De Raad stelt dat de gezinssituatie een privé-aangelegenheid is en dat de kosten van kinderopvang voortvloeien uit privéomstandigheden, niet uit de dienstbetrekking. Hierdoor ontbreekt het vereiste causale verband.

Appellant voerde aan dat de kinderaftrek al meer dan dertig jaar onveranderd is, maar dit leidt volgens de Raad niet tot een andere conclusie. Gezien deze overwegingen verklaart de Raad het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing door de Inspecteur.

Uitkomst: De kosten van kinderopvang worden niet aangemerkt als kosten van verwerving en zijn niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting over 2000.

Uitspraak

Beschikking van 30 april 2004, nr. 2002/1923.
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
1.Appellant heeft op 12 juni 2002 een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur, gericht tegen de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2000, gedagtekend 18 april 2002. Verweerder heeft bij uitspraak d.d. 30 september 2002 het bezwaarschrift afgewezen; appellant heeft op 25 oktober 2002 tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken. Ook overigens is door appellant aan de wettelijke vereisten voldaan, zodat appellant ontvankelijk is in zijn beroep.
2.Partijen zijn verdeeld over de vraag of de door appellant in het onderhavige jaar betaalde kosten van kinderopvang behoren tot de kosten van verwerving als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Landsverordening inkomstenbelasting.
3.Kosten van verwerving zijn die kosten die een belastingplichtige noodzakelijkerwijs dient te maken om zijn inkomen te verwerven; er dient derhalve een causaal verband te bestaan tussen de betreffende uitgaven die belastingplichtige zich getroost en de opbrengsten uit de betreffende bron.
4.In het onderhavige geval maakt appellant kosten voor kinderopvang, omdat het kind van appellant en zijn echtgenote in het jaar 2000 2 à 3 jaar was en derhalve niet voor zichzelf kon zorgen, terwijl zowel appellant als ook zijn echtgenote in dat jaar een dienstbetrekking buitenshuis vervulden.
5.De gezinssamenstelling is in zijn algemeenheid een privé-aangelegenheid en de daaruit voortvloeiende kosten behoren dan ook tot sfeer van de inkomensbesteding van een belastingplichtige. Naar het oordeel van de Raad ontbreekt ook in geval van appellant het onder 3. genoemde causale verband tussen de kosten van kinderopvang en de opbrengsten uit de bron dienstbetrekking van appellant en kan er derhalve in casu niet worden gesproken van kosten van verwerving. Het zijn immers de privé omstandigheden die deze kosten oproepen en niet de dienstbetrekking. De Raad mag niet in te zien dat, door de onderhavige kosten niet als kosten van verwerving toe te laten er sprake zou zijn van een rechtsongelijke situatie met betrekking tot, zoals appellant dit schrijft, het zakenleven.
6.Appellant stelt nog dat de kinderaftrek reeds meer dan dertig jaar onveranderd is gebleven; wat er zij van deze stelling, hij kan naar het oordeel van de Raad er niet toe leiden dat de kosten van kinderopvang tot de kosten van verwerving gaan behoren.
7.Gelet op het vooroverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.
De Raad verklaart het beroep ongegrond.
mrs. L. van Gijn als voorzitter en de leden C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen