ECLI:NL:ORBBNAA:2005:BT5859

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
25 april 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2004-0305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
  • C.W.M. van Ballegooijen
  • G.J. van Muijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122a AVIUDArt. 202 AVIUDArt. 122, derde en vierde lid AVIUD
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete en navordering accijnzen na diefstal uit accijnsvrije bergplaats niet onterecht

Belanghebbende beheert een accijnsvrije bergplaats waaruit accijnsgoederen zijn verdwenen door diefstal. Na onderzoek bleek dat het slot van de bergplaats al weken defect was zonder melding aan de douane. De Inspecteur legde navordering van invoerrechten en accijnzen op, vermeerderd met een boete van 25%.

Belanghebbende stelde dat de diefstal een buitengewone gebeurtenis was die navordering zou verhinderen. De Raad oordeelt dat diefstal geen buitengewone gebeurtenis is in de zin van artikel 122a van de Algemene Verordening In-, Uit- en Doorvoer 1908 (AVIUD). Het regime van de accijnsvrije bergplaats vereist zorgplicht, en diefstal kan geen verschoonbare oorzaak zijn voor gemis.

De Raad stelt vast dat het gemis aan zorgplicht van belanghebbende te wijten is en bevestigt de navordering en de boete. De boete is gematigd tot 25% van de verschuldigde rechten en wordt als passend en geboden beschouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de navordering met boete van 25% wordt bevestigd.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 april 2005, nr. 2004-0305
1. Procesverloop
1.1.Aan belanghebbende is op 14 juni 2002 een beschikking navordering invoerrechten, accijnzen en omzetbelasting uitgereikt ten bedrage van Naf. 7.714,35 enkelvoudige belasting en een boete van Naf. 1.928,60. Belanghebbende heeft op 28 juni 2002 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Gedagtekend 27 februari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan waarbij het bezwaar is afgewezen.
1.2. Op 8 april 2004 is bij de Raad het beroepschrift van belanghebbende binnengekomen, dit beroepschrift is derhalve tijdig ingediend.
De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, binnengekomen bij de Raad op 21 februari 2005.
1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Raad van 11 april 2005. Beide partijen zijn verschenen; belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen, welke pleitnota tot de stukken van het geding wordt gerekend.
2. Feiten
2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.
2.2. Belanghebbende beheert, daartoe gemachtigd door de beheer van de Vrije Zone Curinde N.V. , sedert 15 juni 2000 een accijnsbergplaats binnen de Vrije Zone te Hato, alwaar accijnsgoederen onder douanetoezicht worden opgeslagen. Bij de verlening van de vergunning is belanghebbende meegedeeld dat indien zij zich niet aan de gestelde voorwaarden zou houden, de toestemming zou worden ingetrokken.
2.3. Op 8 augustus 2001 is door de heer M, werknemer van belanghebbende, bij de verificateur van de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, de heer B, aangifte gedaan van diefstal van een aantal in de accijnsvrije bergplaats opgeslagen kartons sigaretten en alcoholhoudende drank, te weten whisky. Ook bij de politie is aangifte van diefstal gedaan.
2.4. Tijdens het naar aanleiding van deze aangiftes gestarte onderzoek is gebleken dat het slot van de ijzeren deur welke toegang geeft tot de accijnsvrije bergplaats van belanghebbende al twee à drie weken stuk was, zonder dat hiervan melding was gedaan door belanghebbende aan de douaneautoriteiten.
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil de vraag of de beweerdelijke diefstal een buitengewone gebeurtenis als bedoeld in artikel 202 van Pro de AVIUD is; tevens bestrijdt belanghebbende de opgelegde boete.
4. De overwegingen
4.1.Indien goederen op enige andere wijze dan door de wet is voorgeschreven uit de accijnsbergplaats worden uitgeslagen ontstaat hierdoor een douaneschuld op grond van artikel 122a van de Algemene Verordening In-, Uit-, en Doorvoer 1908 (hierna: AVIUD).
Artikel 202 van Pro de AVIUD bepaalt dat vermis, anders dan door brand, overstroming of andere buitengewone gebeurtenis, geen recht geeft tot vermindering van rechten.
Artikel 122, derde lid, van de AVIUD bepaalt dat navordering achterwege kan blijven in gevallen waarin navordering een onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
Artikel 122, derde en vierde lid bepalen dat de Inspecteur een boete kan opleggen van maximaal viermaal de verschuldigde rechten. In casu is een boete opgelegd van 25 % van de verschuldigde rechten.
4.2. Vaststaat dat uit de accijnsvrije bergplaats van belanghebbende accijnsgoederen zijn verdwenen, volgens de verklaring van belanghebbende door diefstal.
4.3. Tenzij er sprake is brand, overstroming of enige ander bijzonder gebeurtenis ontstaat door het gemis aan accijnsgoederen een douaneschuld op grond van artikel 122a van de AVIUD.
4.4. Belanghebbende stelt dat de diefstal een buitengewone gebeurtenis is, die navordering van de verschuldigde rechten verhindert. De Raad is van oordeel dat, wat er zij van het antwoord op de vraag of het geconstateerde gemis in casu is veroorzaakt door diefstal, diefstal geen buitengewone gebeurtenis in de zin van de in 4.1 genoemde wettelijke bepaling is.
Het regime van een accijnsvrije bergplaats, en de daarmee voor de ondernemer geschapen faciliteiten, brengt met zich dat, ongeacht de vraag of de houder van de vergunning zich heeft gekweten van de zorgplicht die hij heeft, diefstal geen verschoonbare verklaring van een gemis kan zijn, die als een buitengewone gebeurtenis in de zin van artikel 122a van de AVIUD kan worden aangemerkt. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de nagevorderde rechten tot een juist bedrag zijn berekend.
4.5. Mede gelet op het onder 2.4 vermelde, is het naar het oordeel van de Raad aan het gebrek aan zorg van belanghebbende te wijten dat er een gemis is ontstaan uit de accijnsvrije bergplaats. Gelet op het bepaalde in artikel 122, derde en vierde lid van de AVIUD is de verschuldigde belasting terecht verhoogd met een boete; de Inspecteur heeft de boete gematigd tot 25 % van de verschuldigde rechten.
Naar het oordeel van de Raad is deze boete passend en geboden.
4.5. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.
5. De beslissing
De Raad verklaart het beroep ongegrond.
mrs. J.Th. Drop als voorzitter en de leden C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen