ECLI:NL:ORBBNAA:2005:BT5891

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
25 april 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2004-0244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
  • C.W.M. van Ballegooijen
  • G.J. van Muijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Landsverordening Landsbelastingen, artikel 78 lid 5
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling boete wegens te late aangifte winstbelasting 1998

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag met boete opgelegd wegens het te laat indienen van de aangifte winstbelasting over 1998. Zij maakte bezwaar tegen de boete, stellende dat deze te hoog was, dat de Belastingdienst geen nadeel had ondervonden, en dat de boete als verrassing kwam. De Inspecteur handhaafde de boete.

De Raad van Beroep oordeelde dat de boete terecht is opgelegd om belastingplichtigen aan te sporen hun administratieve verplichtingen na te komen. Het feit dat de Belastingdienst geen schade leed, is niet relevant. Ook het argument dat de boete als verrassing kwam, werd verworpen omdat op het aanslagbiljet duidelijk stond vermeld dat de boete werd opgelegd wegens te late aangifte.

Verder is de boete tijdig opgelegd binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na het verzuim, ondanks dat dit vier en een half jaar na het verzuim was. Het gewijzigde boeteregime is niet van toepassing vanwege overgangsrecht. De Raad vond de boete niet in wanverhouding tot het verzuim, mede gezien eerdere aangifteverzuimen van belanghebbende. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Uitkomst: De boete wegens te late aangifte winstbelasting 1998 wordt gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 april 2005, nr. 2004-0244
1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de winstbelasting opgelegd wegens het te laat indienen van haar aangifte winstbelasting 1998 ten bedrage van Naf 500. Zij heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 19 januari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en de boete gehandhaafd.
2. Belanghebbende is tegen de beschikking op 18 maart 2004, dus tijdig, in beroep gekomen bij de Raad.
3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 21 april 2005. Beide partijen zijn verschenen. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder een pleitnota ingebracht.
4. Belanghebbende stelt dat de boete tot een te hoog bedrag is opgelegd of zou moeten worden kwijtgescholden, omdat de Inspecteur zelf vier en een half jaar nodig heeft gehad om deze op te leggen, omdat de Belastingdienst niet is benadeeld (de verschuldigde winstbelasting beloopt nihil), omdat de boete als een complete verrassing kwam en omdat de boete niet in verhouding staat tot het gepleegde verzuim. De Inspecteur verdedigt dat de boete moet worden gehandhaafd.
5. De Raad is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd, omdat zij bedoeld is om de belastingplichtige, die te laat aangifte heeft gedaan, zoals belanghebbende, in te scherpen dat zij haar administratieve verplichtingen volledig behoort na te komen. Daarom is niet van belang dat de Belastingdienst geen schade heeft geleden. De stelling van belanghebbende dat de boete als verrassing kwam en daarom moet worden kwijtgescholden, kan de Raad niet volgen. Op het aanslagbiljet staat immers aangekondigd dat de aanslag is opgelegd omdat het aangifteformulier niet of niet tijdig is ingediend. De stelling van belanghebbende dat de boete laat is opgelegd, vier en half jaar van het verzuim, kan er evenmin toe leiden dat zij moet worden kwijtgescholden. De wetgever heeft de Inspecteur immers de gelegenheid gegeven om vijf jaar na het verzuim een boete op te leggen. Dat dit boeteregime inmiddels is gewijzigd in de Algemene Landsverordening Landsbelastingen heeft voor een verzuim begaan in 1998 geen betekenis, gelet op het overgangsrecht van artikel 78 lid Pro 5. Dit overgangsrecht brengt mee dat oude verzuimen blijven vallen onder het oude regime. Tot slot oordeelt de Raad dat de boete niet in wanverhouding staat tot de ernst van het verzuim. Daarbij houdt de Raad er rekening mee dat dit verzuim niet het eerste aangifteverzuim van belanghebbende was in korte tijd.
6. De Raad verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de uitspraak op bezwaar.
mrs. J.Th. Drop, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen