ECLI:NL:ORBBNAA:2005:BT5899

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
25 april 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2004-0186
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
  • C.W.M. van Ballegooijen
  • G.J. van Muijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 3 Algemene Landsverordening LandsbelastingenArt. 22 Landsverordening winstbelastingArt. 23 Landsverordening winstbelastingArt. 78 lid 5 Algemene Landsverordening Landsbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag winstbelasting 1998 en handhaving verzuimboete

Belanghebbende diende de aangifte winstbelasting over 1998 te laat in, ondanks uitstel tot 1 november 1999. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag en een verzuimboete op. Belanghebbende betwistte de boete en stelde dat het opleggen ervan bijna vier jaar na het tijdvak onredelijk was en verwees naar een termijn van één jaar in de Algemene Landsverordening Landsbelastingen.

De Raad stelde vast dat de boetebepalingen uit de Landsverordening winstbelasting van dat jaar een termijn van vijf jaar aan de Inspecteur geven om een verzuimboete op te leggen. Het financiële nadeel voor het Land is niet relevant voor de boeteoplegging. De Raad oordeelde dat het boeteregime van 1998 van toepassing blijft vanwege het overgangsrecht, ondanks latere wetswijzigingen.

De Raad verklaarde het beroep gegrond door de naheffingsaanslag te verminderen tot nihil, maar handhaafde de boete. Hiermee werd bevestigd dat de boete passend en geboden is om belastingplichtigen aan te sporen hun administratieve verplichtingen tijdig na te komen.

Uitkomst: De naheffingsaanslag winstbelasting 1998 wordt verminderd tot nihil, maar de verzuimboete wordt gehandhaafd.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 april 2005, nr. 2004-0186
1. Procesverloop
1.1. Aan belanghebbende is op 28 april 2003 een naheffingsaanslag Winstbelasting 1998 opgelegd; de enkelvoudige belasting bedroeg Naf 199.160,- en in de naheffingsaanslag was tevens een verzuimboete van Naf 500,- begrepen.
1.2. Belanghebbende heeft op 6 mei 2003 tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend.
Gedagtekend 19 januari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan waarbij het bezwaar is afgewezen.
1.3. Op 1 maart 2004 is bij de Raad het beroepschrift van belanghebbende binnengekomen, dit beroepschrift is derhalve tijdig ingediend.
De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, binnengekomen bij de Raad op 11 april 2005.
1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Raad van 21 april 2005. Beide partijen zijn verschenen; belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen, welke pleitnota tot de stukken van het geding wordt gerekend.
2. Feiten
2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.
2.2. Belanghebbende heeft de definitieve aangifte winstbelasting 1998 op 30 december 1999 ingediend; de verschuldigde belasting werd op dezelfde datum afgedragen maar geboekt als betaalde winstbelasting 1997.
2.3. Ter zitting heeft belanghebbende erkend bekend te zijn geweest met het feit dat er door de Inspecteur uitstel voor het indienen van de aangifte winstbelasting 1998 was verleend tot 1 november 1999; het feit dat belanghebbende te laat de aangifte winstbelasting 1998 heeft ingediend wordt niet langer bestreden.
3. Geschil
Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de opgelegde boete; de verschuldigde enkelvoudige belasting moet worden gesteld op nihil.
4. De overwegingen
4.1. Belanghebbende stelt dat het opleggen van een boete bijna 4 jaar na afloop van het tijdvak waarin de aangifte moest zijn ingediend, onredelijk is. Tevens verwijst belanghebbende naar artikel 18 lid 3 van Pro de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, alwaar een termijn van een jaar is genoemd voor het door de Inspecteur kunnen opleggen van een verzuimboete. Tenslotte betwist belanghebbende het door het Land geleden financieel nadeel.
4.2. Vaststaat dat belanghebbende te laat de aangifte winstbelasting 1998 heeft ingediend. Volgens de voor dat jaar geldende boetebepalingen uit de Landsverordening winstbelasting ( de artikelen 22 en 23) is de Inspecteur gedurende vijf jaar gerechtigd een verzuimboete op te leggen.
4.3. De Raad is, gelet op het onder 4.2 vermelde, van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. De verzuimboete is bedoeld om de belastingplichtige, die te laat aangifte heeft gedaan, zoals belanghebbende, in te scherpen dat zij haar administratieve verplichtingen volledig behoort na te komen. Of er daarbij sprake is van door het Land geleden financieel nadeel is naar het oordeel van de Raad niet van belang. De stelling van belanghebbende dat het opleggen van een boete vier jaar na de verstreken termijn voor het doen van aangifte onredelijk is kan er evenmin toe leiden dat de boete moet worden kwijtgescholden. De wetgever heeft de Inspecteur immers de gelegenheid gegeven om tot vijf jaar na het verzuim een boete op te leggen. Dat dit boeteregime inmiddels is gewijzigd in de Algemene Landsverordening Landsbelastingen heeft voor een verzuim begaan in 1998 geen betekenis, gelet op het in artikel 78, lid 5 neergelegde overgangsrecht; dit overgangsrecht brengt mee dat oude verzuimen blijven vallen onder het oude regime.
Ook overigens acht de Raad de boete passend en geboden, zodat moet worden beslist zoals hieronder is vermeld.
5. De beslissing
De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de naheffingsaanslag met het bedrag aan enkelvoudige belasting en handhaaft de boete.
mrs. J.Th. Drop als voorzitter en de leden C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen