ECLI:NL:ORBBNAA:2006:BT6188

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
19 januari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2003-592
Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
  • Th. Groeneveld
  • J.C. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Landsverordening winstbelastingArt. 23 Landsverordening winstbelastingArt. 78 lid 5 Algemene Landsverordening Landsbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting 1997 en 1998

Appellant kreeg op 22 juni 1998 een voorlopige naheffingsaanslag winstbelasting 1997 opgelegd en op 30 december 2002 een definitieve naheffingsaanslag over hetzelfde jaar. Tegen deze aanslagen maakte appellant bezwaar, dat deels niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening en deels ongegrond werd bevonden. Appellant stelde beroep in bij de Raad van Beroep.

Tijdens de zitting op 8 november 2005 verschenen noch appellant noch de Inspecteur. De Raad oordeelde dat het bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag te laat was ingediend en verklaarde het beroep in zoverre ongegrond. De boete van 500 gulden wegens te late indiening van de aangifte winstbelasting 1998 werd gehandhaafd.

De Raad motiveerde dat de boete terecht was opgelegd omdat de belastingplichtige haar administratieve verplichtingen niet tijdig was nagekomen. Het feit dat er geen financieel nadeel voor het Land was, deed hier niet aan af. Het oude boeteregime was van toepassing vanwege het overgangsrecht, waardoor de boete ook na vier jaar nog rechtmatig kon worden opgelegd. De boete werd passend en geboden geacht, en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boete worden gehandhaafd.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 19 januari 2006, nr. 2003-592
1. Het procesverloop.
1.1. Aan appellant is op 22 juni 1998 een naheffingsaanslag (voorlopige aanslag) winstbelasting 1997 opgelegd. Op 30 december 2002 is hem een naheffingsaanslag (definitieve aangifte) winstbelasting 1997 opgelegd.
1.2. Tegen deze aanslagen is door appellant bij bezwaarschrift dat op 18 februari 2003 door verweerder is ontvangen, bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 29 augustus 2003 is het bezwaarschrift door de Inspecteur niet ontvankelijk verklaard voorzover het zich richt tegen de naheffingsaanslag voorlopige aanslag en ongegrond voorzover het zich richt tegen de naheffingsaanslag definitieve aangifte.
1.3. Tegen deze beschikking heeft appellant bij bezwaarschrift van 8 oktober 2003, dat op 22 oktober 2003 is ontvangen, beroep op de Raad ingesteld.
1.4 . Ter zitting van 8 november 2005 te Willemstad zijn appellant noch de Inspecteur verschenen.
2. Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift
Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag voorlopige aanslag is buiten de termijn van twee maanden bij de Inspecteur binnengekomen, zodat het te laat is ingediend. Het beroep is in zoverre ongegrond.
3. Beoordeling
3.1 Inmiddels is de aanslag Winstbelasting 1998 op nihil gesteld. De inspecteur heeft echter de wegens te late indiening van de aangifte opgelegde boete van Naf. 500,= gehandhaafd.
Vaststaat dat belanghebbende die aangifte te laat heeft ingediend. Volgens de voor dat jaar geldende boetebepalingen uit de Landsverordening winstbelasting ( de artikelen 22 en 23) is de Inspecteur gedurende vijf jaar gerechtigd een verzuimboete op te leggen.
3.2 De Raad is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. De verzuimboete is bedoeld om de belastingplichtige, die te laat aangifte heeft gedaan, zoals belanghebbende, in te scherpen dat zij haar administratieve verplichtingen volledig behoort na te komen. Of er daarbij sprake is van door het Land geleden financieel nadeel is naar het oordeel van de Raad niet van belang. De wetgever heeft de Inspecteur de gelegenheid gegeven om tot vijf jaar na het verzuim een boete op te leggen, zodat niet gezegd kan worden dat de vier jaar na de aangiftedatum opgelegde boete onredelijk laat is opgelegd. Dat dit boeteregime inmiddels is gewijzigd in de Algemene Landsverordening Landsbelastingen heeft voor een verzuim begaan in 1998 geen betekenis, gelet op het in artikel 78, lid 5 neergelegde overgangsrecht; dit overgangsrecht brengt mee dat oude verzuimen blijven vallen onder het oude regime.
Ook overigens acht de Raad de boete passend en geboden, zodat moet worden beslist zoals hieronder is vermeld.
5. De beslissing
De Raad verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de inmiddels op Naf. 500,= (vijfhonderd guldens) vastgestelde naheffingsaanslag.
mrs. J.Th. Drop, Th. Groeneveld en J.C. Overgaauw