Uitspraak
zitting houdende op Curaçao,
gemachtigde [A],
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende kreeg in 2004 een beschikking waarin werd medegedeeld dat geen definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 zou worden opgelegd. Desondanks legde de Inspecteur later die maand een primitieve aanslag op. Belanghebbende betwistte de rechtmatigheid hiervan en stelde dat ook een navorderingsaanslag onrechtmatig was.
De Raad stelde vast dat de beschikking van de Inspecteur als een besluit moet worden gelezen dat geen aanslag wordt opgelegd, waardoor het opleggen van een primitieve aanslag in strijd met deze beschikking is en niet is toegestaan, behalve in de gevallen van navordering.
Vervolgens oordeelde de Raad dat belanghebbende mocht vertrouwen op de beschikking, tenzij er sprake was van een kennelijke vergissing. Gezien de omstandigheden, waaronder het verzoek van belanghebbende om een loonbelastingbeschikking en de kennis van de inkomenssituatie van zijn echtgenote, moest belanghebbende begrijpen dat de beschikking een vergissing was.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de navorderingsaanslag. Het beroep tegen de primitieve aanslag werd toegewezen, maar de navorderingsaanslag bleef in stand.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2002 wordt gehandhaafd en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.