Uitspraak
zitting houdende op St. Maarten,
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen en naheffingsaanslagen winstbelasting over 1998 en 1999. De Raad van Beroep beoordeelde de ontvankelijkheid van deze bezwaren en beroepen. Het beroep tegen de aanslag 1999 werd ingediend na de wettelijke termijn van twee maanden na uitspraak op bezwaar, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende stelde dat zij de uitspraak niet had ontvangen en beriep zich op artikel 6 EVRM Pro, maar kon niet aannemelijk maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar was toe te rekenen.
Voor de naheffingsaanslagen 1998 en 1999 stelde belanghebbende bezwaar te hebben gemaakt op 28 september 2002, maar de Raad achtte aannemelijk dat het bezwaar pas op 14 mei 2004 was ingediend, buiten de wettelijke termijn. Ook hier werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht, ondanks het beroep op artikel 6 EVRM Pro. Belanghebbende had na bekendwording van de aanslagen tijdig bezwaar moeten maken, wat niet was gebeurd.
De Raad benadrukte dat een verzoek tot ambtshalve vermindering van naheffingsaanslagen een discretionaire bevoegdheid van de Inspecteur is en niet door de Raad kan worden getoetst. De beroepen werden derhalve niet-ontvankelijk verklaard of ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag winstbelasting 1999 is niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de naheffingsaanslagen 1998 en 1999 zijn ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.