Uitspraak
zitting houdende op St. Maarten,
gemachtigde [A],
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen winstbelasting over de jaren 2000 en 2001, waarbij de Inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende stelde dat zij de aanslagen nooit had ontvangen en beriep zich op artikel 6 EVRM Pro voor haar recht op toegang tot de rechter.
De Raad stelde vast dat het bezwaarschrift tegen de aanslag 2000 niet eerder dan 14 mei 2004 was ingediend, terwijl de aanslag dateerde van 11 juni 2002. Voor de aanslag 2001 gold een vergelijkbare situatie met een aanslagdatum van 13 december 2002. Belanghebbende kon geen bewijs leveren van tijdige indiening en had na bekendwording van de aanslagen ruim een jaar gewacht met bezwaar maken.
De Raad overwoog dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, ook niet op grond van de stelling dat de aanslagen niet waren ontvangen. De verwijzing naar artikel 6 EVRM Pro leidde niet tot een andere uitkomst, mede omdat het ging om een verzuimboete en niet om een vergrijpboete. Tenslotte wees de Raad erop dat ambtshalve vermindering van aanslagen een discretionaire bevoegdheid van de Inspecteur is waartegen geen beroep openstaat.
De Raad verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren.
Uitkomst: De beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren worden ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.