ECLI:NL:PHR:1917:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens onjuiste splitsing van buitengerechtelijke bekentenis in betalingsvordering
In deze civiele zaak stond een vordering tot betaling van f 263,75 wegens geleverde goederen centraal. De gedaagde stelde dat hij slechts f 218,35 verschuldigd was, omdat hij voor f 23,00 aan goederen had teruggezonden. Een brief van de gedaagde vermeldde een iets ander bedrag, maar kwam op een vergelijkbare uitkomst neer. De rechtbank Zutfen oordeelde dat de gedaagde het bewijs moest leveren dat hij goederen had teruggezonden en daartoe bevoegd was, en achtte de volledige vordering van f 263,75 verschuldigd.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank ten onrechte de buitengerechtelijke bekentenis splitste. De rechtbank achtte de oorspronkelijke schuld van f 263,75 erkend, maar stelde dat de gedaagde moest bewijzen dat hij een deel van de goederen had teruggezonden, terwijl uit de brief bleek dat de schuld reeds verminderd was met het bedrag van de retourzendingen. Hierdoor werd de bekentenis onjuist gesplitst, wat in strijd is met artikel 1961 Burgerlijk Pro Wetboek.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank niet mocht beslissen dat het volledige bedrag van f 263,75 verschuldigd was, omdat alleen het verminderd bedrag erkend was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Zutfen voor een nieuwe beslissing met inachtneming van dit arrest. Tevens wordt de verweerster veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Vonnis van de rechtbank vernietigd wegens onjuiste splitsing van de bekentenis; zaak terugverwezen voor nieuwe beslissing.