ECLI:NL:PHR:1922:4
Parket bij de Hoge Raad
- T.J. Noyon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing in zaak over afschrijving aandelen en bedrijfskosten in oorlogswinstbelasting
In deze zaak stond de vraag centraal of afschrijving wegens waardevermindering van aandelen en vorderingen in Russische petroleumondernemingen, gehouden door de gerequireerde, terecht als bedrijfskosten konden worden aangemerkt in het kader van de Wet op de oorlogswinstbelasting 1916 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914.
De Procureur-Generaal stelde dat verlies op kapitaalbeleggingen in aandelen van andere ondernemingen als verlies op zaken in het bedrijf gebruikt mag worden beschouwd, maar niet verlies op zaken die voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt en waarop afschrijving mag worden gedaan vanwege waardevermindering door gebruik. Tevens was vastgesteld dat de aandelen en vorderingen waardeloos waren bij het bezit op 31 december 1917 en dat de terugkoop tegen een bepaald bedrag een kapitaalsverlies opleverde, hetgeen niet tot afschrijving mag leiden tenzij onder de inkomstenbelastingwet.
Daarnaast werd geoordeeld dat de beslissing over de bedrijfskosten niet kon worden beoordeeld zonder kennis van artikel 27 van Pro de statuten van de gerequireerde, welke niet in de uitspraak was vermeld. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering, wat leidde tot vernietiging van het arrest en verwijzing naar de Raad van beroep voor nadere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Vernietiging van het arrest en verwijzing naar de Raad van beroep voor nadere behandeling.