ECLI:NL:PHR:1924:AG1795

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 1924
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
5404
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154 GrondwetArt. 2 R.O.Algemeene Wet 25 Augustus 1822, S. 38Wet 4 April 1870, S. 61Wet 7 December 1896, S. 212
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige daad door weigering ambtenaren tot medewerking bij uitvoer goederen

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens een onrechtmatige daad, bestaande uit de weigering van ambtenaren om de wettelijk vereiste formaliteiten te vervullen voor de uitvoer van zijn goederen naar het buitenland. Hierdoor werd de uitvoer verhinderd. De rechtbank wees de vordering af omdat het recht op medewerking van ambtenaren en hun verplichting daartoe uitsluitend voortvloeide uit publiekrechtelijke bepalingen, en niet uit het privaatrecht zoals neergelegd in artikel 1401 Burgerlijk Pro Wetboek.

De Hoge Raad bevestigt dat een handeling die de vrije beschikking over goederen onmogelijk maakt, ook een onrechtmatige daad kan vormen, ook als er geen positieve handeling maar slechts het nalaten van een handeling is. Echter, in dit geval is het recht op medewerking en de verplichting van ambtenaren tot medewerking een zuiver publiekrechtelijk recht en verplichting, waaraan geen privaatrechtelijke rechtsbescherming kan worden ontleend.

De conclusie van de procureur-generaal is dat indien de overheid krachtens positieve wetsbepalingen iets nalaat of iets doet wat verboden is, de Staat aansprakelijk kan zijn voor schade. Maar het bestaan van een recht op medewerking moet worden vastgesteld. Omdat eiser dit recht niet heeft gesteld, en het Hof oordeelde dat zelfs als hij het had gesteld, het hem niet zou baten, wordt het beroep verworpen en wordt eiser in de kosten veroordeeld.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen omdat het recht op medewerking van ambtenaren een zuiver publiekrechtelijk recht is zonder privaatrechtelijke rechtsbescherming.

Conclusie

Conclusie van den Procureur-Generaal Mr. Noyon.
De eischer in cassatie heeft hem toebehoorende goederen naar het buitenland willen uitvoeren en de daartoe wettelijk vereischte verklaring ingediend bij de betrokkene ambtenaren, die echter geweigerd hebben de daaromtrent voorgeschrevene formaliteiten te vervullen, zoodat de voorgenomene uitvoer is verhinderd. Hij heeft hierom tegen den Staat eene vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad ingesteld, die hem echter is ontzegd omdat, indien hij een recht op medewerking van de ambtenaren zoude hebben en bij deze eene verplichting daartoe zoude bestaan, een en ander zoude moeten worden ontleend aan de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822, S. 38, derhalve aan wetsbepalingen regelende publiek recht, dat het recht van den eischer zoude zijn een zuiver publiek recht en de verplichting der ambtenaren eene zuiver publiekrechtelijke verplichting, waaraan alle privaatrechtelijke verplichting vreemd zoude zijn, aan welk publiek recht of welke publiekrechtelijke verplichting niet ontleend zoude kunnen worden de rechtsbescherming, in artikel 1401 Burgerlijk Pro Wetboek en volgende opgenomen.
Aan deze beschouwing gaat in het arrest, waarvan beroep, vooraf de ontkennende beantwoording van de vraag of de geïncrimineerde handeling inhoudt eene daadwerkelijke aantasting van de goederen zelve, eene positieve handeling tegenover die goederen of eene krenking van den eigendom, die evenwel niet beslissend is omdat eene handeling, die de vrije beschikking over de goederen onmogelijk maakt, toch ook eene onrechtmatige daad kan zijn.
Ook is m.i. niet beslissend dat er geene positieve handeling is verricht, maar slechts achterwege is gebleven eene handeling, voor den uitvoer noodig, daar dit toch feitelijk is een positief beletten van den uitvoer.
De verweerder wees er bij pleidooi op dat in de consequentie van des eischers stelsel zoude liggen, dat de Staat aansprakelijk zoude zijn wegens al wat er op den openbaren weg gebeurt, indien hij blijken zoude niet voor de veiligheid van den weg gezorgd te hebben, in het algemeen wanneer de overheid niet voldoende deligent is geweest in het uitvoeren van hare taak; dit schijnt mij echter onjuist omdat hier sprake is van het niet verrichten van eene concrete handeling ten aanzien van de goederen des eischers, waarop deze recht zoude hebben.
Als middel van cassatie is voorgedragen:
Schending, immers verkeerde toepassing van artikel 154 der Pro Grondwet, artikel 2 R.O., in verband met artikel 143 van Pro de Algemeene wet 25 Augustus 1822, S. 38, over de heffing der rechten van In-, Uit- en Doorvoer en van de Accijnzen, alsmede van het Tonnegeld der zeeschepen, artikel 1 van Pro de wet van 4 April 1870, S. 61, houdende wijziging en aanvulling der wetten omtrent de heffing en de verrekening der in- en uitgaande regten en accijnzen, artikel 1 van Pro de wet van 7 December 1896, S. 212, houdende nadere bepalingen omtrent de heffing en de verrekening van de invoerrechten en accijnzen, artikel I van het Koninklijk Besluit van 1 Augustus 1915, S. 370, houdende bepalingen omtrent de aangifte van ten uitvoer bestemde goederen en de artikelen 1401, 1402 en 1403 B.W., door eischer in de door hem ingestelde vordering tot schadevergoeding, steunende op een gedraging van Staatsambtenaren, bestaande in een weigering van het vervullen eener ambtshandeling, niet-ontvankelijk te verklaren op den die beslissing niet rechtvaardigenden grond dat, indien een recht van eischer op medewerking der ambtenaren ware te construeeren of eene verplichting der ambtenaren tegenover hem, dit recht of die verplichting der ambtenaren tegenover hem, zou moeten worden ontleend aan de voornoemde algemeene wet, derhalve eene wetsbepaling, regelende publiek recht, en dit recht van eischer zou zijn een zuiver publiek recht en die verplichting van de ambtenaren een zuiver publiekrechtelijke verplichting, waaraan alle privaatrechtelijke verplichting vreemd zou zijn, aan welk publiek recht of publiekrechtelijke verplichting hij niet zou kunnen ontleenen de rechtsbescherming, in artikel 1401 B.W. en volgende opgenomen.
Het komt mij voor te liggen in de consequentie der jurisprudentie van den Hoogen Raad dat, indien de overheid in concreto iets nalaat waartoe zij krachtens positieve wetsbepalingen verplicht is of doet wat de wet haar verbiedt, de daaruit voortvloeiende nadeelige gevolgen den Staat aansprakelijk maken tot vergoeding van geledene schade. De verplichtingen die de Staat zich zelven oplegt behooren te worden nagekomen, maar worden aan de andere zijde begrensd door die tot ontzien van private rechten, voor zoover deze niet door bijzondere wetsbepalingen worden ter zijde gesteld. Maar daarbij is het dan ook onverschillig of de verplichtingen bij publiekrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld. Wordt nu een beroep gedaan op een recht tot het eischen van medewerking van ambtenaren tot mogelijk maken van beschikking over eigendommen, dan dient het bestaan van dat recht te worden onderzocht.
Toch zal m.i. het cassatiemiddel niet het gewenschte gevolg kunnen hebben, want het Hof beslist dat de eischer niet beweerd heeft dat hij het recht had de gevraagde medewerking van de ambtenaren te eischen, maar indien hij het beweerd had, dit recht hem toch niet zoude kunnen baten; deze laatste beslissing betreft dus een niet bestaand geval, en hiermede vervalt de grondslag der vordering, omdat het recht dat niet gesteld wordt, niet beweerd kan worden gekrenkt te zijn. Bij het cassatiemiddel wordt dan ook het bestaan van het recht niet gesteld.
Ik concludeer daarom tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den eischer in de kosten.